spacer

spacer

VI. HANDEN IN LITERATUUR EN POËZIE

 

 

1. PROZA.

Het oudste overgeleverde fragment over Handen heb ik gekozen uit de Ilias toegeschreven aan de blinde bard Homerus en dus zo'n 2700 jaar geleden vastgelegd. Ik doel op het ontroerende moment uit de laatste en 24-ste Zang als Koning Priamos van Troje 12 dagen na de dood van zijn zoon, de stralende Held Hector, ten einde raad naar diens doder, de held Achilles in het botenkamp der Grieken, gaat om zijn lijk tegen een meegenomen losprijs proberen terug te vragen. Achilles heeft in zijn woede en verdriet over het verlies van zijn boezemvriend Pàtroclos gezworen het lijk van Hector aan de honden en maden te geven. Echter Achilles een halfgod als zoon van Koning Peleus en de zeenimf Thetis heeft buiten de wil der goden gerekend, die het lijk van Hector behoeden voor verval, ook nadat Achilles het enige keren slepend achter zijn strijdwagen rond de brandstapel van Patroclos heeft getrokken raakt het lijk op wondernaarlijke wijze weer intact. Hermes, de goddelijke bode der goden helpt Priamos en zijn begeleider ongezien de wachtposten te passeren en met zijn wagen bij de tent van Achilles te komen en na de transactie weer onopgemerkt te verdwijnen. Dan volgt één van de vernederendste maar ook ontroerendste scenes uit de wereldliteratuur, waarbij koning Priamos voor Achilles neerknielt, zijn knieën omvat en zijn handen kust, de handen van de doder van zijn zoon, teneinde Achilles te smeken (met een flinke losprijs op de achtergrond) om het lijk van zijn zoon vrij te geven voor de vastgestelde rouwperiode van 12 dagen. Achilles, gramstorig maar toch ook ontroerd door de moed van de oude man, stemt tenslotte toe, laat het lijk van Hector met fijn linnen bekleed op de wagen leggen en staat grootmoedig een bestand van 12 dagen toe, zodat alles volgens de vaststaande rituelen in alle rust kan worden afgewikkeld. Degenen die de film Troy hebben gezien met Brad Pitt in de rol van Achilles zullen zich deze ontroerende scene zeker herinneren. Omdat ik uiteindelijk de Ilias en Odyssee het mooiste vindt in de Friese vertaling, mijn moedertaal, van classicus Klaas Bruinsma en uitgegeven door Steven Sterk in Utrecht laat ik hier het betreffende fragment in het Fries volgen:

[...] D'oaren murken it net, dat de grutte Priamos ynkaam.

By him steande fett' er Akhilleus syn knibbels en tute de mânske

Mannemoardzjende hannen, dy't gâns fan syn soannen al deaden.

Lykas in man, troch in fûle ferblining grypt, yn syn eigen

lân in minske fermoarde en flechte nei 't lân fan in oar folk,

't hûs fan in ryk man yngiet en ferheardens de de taskôgers oangrypt,

sa wie Akhilleus ferheard by it sjen fan de godlike kening.

Ek ferheard wiene d'oaren en seagen ferbaasd nei elkoarren.

Smeekjende sei doe Priamos tsjin Akhilleus de wurden:

"O Akhilleus, de goaden belykjend, tink oan jo heit dy't,

likense âld as ik op 'e drompel fan d'aakllike jeld stiet.

Mar wannear't er fernimt dat jo jitte libje, dan sil er

bliid wêze yn syn herte en boppedat alle dagen

hoopje syn leave soan wer te sjen, út Troje wei thúskomd.

Ik lykwols bin ûngelokkich: fan al myn dappere soannen

dy't ik oansett' yn it wide Troje, is nimmen my oerbleaun.

Doe't de soannen fan Grikelân kamen, hie ik der fyftich;

njoggentjin dêrfan wienen my berne út ienselde skerte.

D' oaren bvinne my troch froulju, dy't yn it paleis wennen, berne.

Gystene Ares hat kloften fan harren de knibbels ferlamme.

D 'iennichste dy't ik noch hie, dy't de stêd en ússelme beskerme,

is troch jo koartlyn deade, doe't er foar 't heitelân kampe:

Hektor. Om him bin ik no nei de float fan de Griken komd om him

los te keapjen fan jo; Ik bring in ûntsachlike lospriis. [...]

Ingekorte vertaling: De anderen merkten niet dat Priamos binnenkwam. Bij hem staande omvatte hij Achilles' knieën en kuste de grote mannenvermorzelende handen, die veel van zijn zonen al gedood hadden. Zoals een man, door verblinding aangegrepen, bij zijn eigen volk iemand ombracht en vluchtte naar andermans land, de woning van een rijk man betreedt en verrassing de aanwezigen bekruipt, zo was Achilles verrast bij het zien van de godgelijke koning. Ook verbaasd waren de anderen en keken elkaar aan. Smekend zei toen Priamos: "O Achilles, een god gelijk, denk aan je vader die, even oud als ik, op de drempel van de akelige ouderdom staat. Mogelijk wordt ook hij benard door zijn omgeving en is er niemand om onheil af te keren. Echter als hij hoort dat jij nog leeft, dan zal zijn hart zich verheugen en hopen zijn zoon terug te zien, teruggekeerd uit Troje. Ik echter ben ongelukkig; van al mijn dappere zonen die ik verwekte in Troje is er geeneen overgebleven. Toen de Grieken hier binnenvielen, had ik er vijftig; 19 daarvan waren afkomstig uit dezelfde schoot. De anderen heb ik verwekt bij andere vrouwen in het paleis. De onberekenbare Ares (oorlogsgod) heeft velen van hen de knieën verlamd. De enige die ik nog had is door jou onlangs gedood toen hij voor zijn vaderstad vocht: Hector. Voor hem ben ik naar de vloot der Grieken gekomen om hem van jou los te kopen: ik heb een een ontzagwekkende losprijs meegebracht.[...]

[bovenstaand fragment werd toegevoegd op 27-12-2007]

[8-01-08]

Dante Alighieri (1265-1321)

In de Goddelijke Komedie van Dante, verschenen ca. 1311 spelen Handen in het fragment De Hel een gruwelijke rol, waarbij een vader aan zijn eigen handen knaagt uit pure wanhoop en honger om zijn kinderen te sparen, die juist liever hebben dat hij aan hen begint in plaats van zichzelf toe te takelen:

Canto 333. 49-79: Een vader in een balg van de negende kring der hel wegens kannibalisme:

[...]" Ik schreide niet: ik was versteend van binnen.

Doch zij, zij weenden, en mijn kleine Anselmus,

vroeg bang: 'Wat scheelt u toch? Ge kijkt zo vader!'

Nog schreide ik niet, en sprak niet op hun vragen,

geheel die dag en ook de nacht die volgde,

tot weer een zonne rees op aarde.

En toen een weinig licht lag uitgesprenkeld

in 't kerkerhol en ik op vier gezichten

mijn eigen wezenstrekken zag weerspiegeld,

beet ik van razernij me in beide handen;

en zij, die meenden dat ik aldus raasde

door hongerpijn, ze vlogen op en klaagden:

'O, vader, minder, minder werd ons lijden,

als ge at van ons; hebt gij ons eens omhangen

met dit armzalig vlees, neem gij 't ook weder.'

'k Verstomde toen om hen niet meer te folteren:

die dag en de anderen bleven stom wij allen.

O wrede grond, waarom u niet geopend?

En toen de vierde dag was aangebroken,

viel Gaddo languit voor mij neer en steunde:

'Och, vader toch, waarom mij niet geholpen?'

Hij stierf. Zowaar uw ogen mij aanschouwen,

zag ik de drie nog vallen, de een na de ander,

vanaf de vijfde tot de zesde morgen.

En blind reeds, zocht ik ze één voor één te strelen

en riep ze nog drie dagen na hun scheiden.

En sterker dan de smart bleek toen de honger."

En met de ogen draaiend, greep hij na die woorden

opnieuw de droeve schedel met zijn tanden,

die sterk, als van een hond, het been vergruisden [...]

 

***

 

Er zijn mij slechts weinig prozawerken bekend, die als titel voluit De Hand heten, maar één ervan is wel Joez Alesjkovski, De Hand, Bert Bakker, 1992. De roman is nauwelijks twee jaar na verschijnen vertaald uit het Russisch door Aai (Arie?) Prins en bevat een nawoord van Joseph Brodsky vertaald door René Kurpershoek. Het omslag bevat een foto van de palm van een hand met bloedsporen.

Ik neem voor het gemak de flaptekst op de achterkant over:

Wat heeft De Hand, zelf voor het leven getekend door Stalins bloederige terreur, ertoe gebracht om carrière te maken als beul van de gevreesde geheime dienst? Komt het door zijn hand, die hem in staat stelt zijn slachtoffers in één keer voorgoed het zwijgen op te leggen of hun gezicht te ‘restaureren,’dat wil zeggen, ‘in overeenstemming te brengen met hun innerlijk wezen’? Of is het zijn onlesbare dorst naar wraak die hem ten strijde doet trekken tegen de duivelse krachten van het marxisme-leninisme, zelfs als hierdoor de redding van zijn eigen ziel in gevaar komt?

Als deze eigentijdse graaf van Monte-Christo tenslotte bij het laatste slachtoffer van zijn lijst is aangekomen, maakt hij zich op om zo lang mogelijk van zijn zoete wraak te genieten. In een beurtelings bloedstollend, schunnig en ontroerend kat-en-muis-spel met zijn oude kwelgeest Goerov kijkt hij terug op zijn lange beulsloopbaan en daarmee op de nodige zwarte bladzijden uit de geschiedenis van het arbeidersparadijs. En net als de graaf van Monte-Christo is hij niet van plan te rusten voor zijn laatste vijand het leven heeft gelaten.

Streekromans zijn natuurlijk bij uitstek de romans waar knoestige, eeltige handen van boeren of rode werkhanden van boerenmeiden en knechten dikwijls uitgebreid worden beschreven, maar de meeste streekromans zijn ‘meer van hetzelfde’ en je vindt er nauwelijks iets bijzonders bij. Het is meer jeugdsentiment om een bepaalde sfeer uit je eigen boeren- of plattelandsjeugd op te roepen. Ook moet je erg uitkijken omdat het genre soms verbonden kan zijn aan “Bloed & Bodemtheorieën” vooral die streekromans waarbij het platteland op een overdreven manier verheerlijkt wordt. De Friese schrijver Trinus Riemersma (Ferwerd 1938) heeft hier een zeer leesbare dissertatie aan gewijd Proza van het platteland, Bolsward 1984, dat verder reikt dan alleen Friese boerenromans.

Toch was het voor mij de eerste kennismaking met de streekromans bij ons thuis, die wellicht iets met mijn Passie voor Handen te maken hebben. Zo herinner ik me, ver voor dat toegestaan was, de roman van Cor Bruijn, Sil de Strandjutter (1940) met rode oortjes te hebben gelezen met een zaklantaarn onder de dekens.

Ik denk dat het eerste fragment dat speciaal over handen ging echter uit Gullbransen (1894-1962), En eeuwig zingen de bossen (1933) afkomstig was, omdat daar een overduidelijk ezelsoor zat en nog steeds zit. Ik citeer:

Hij keek neer op zijn handen. Ze droegen zo duidelijk den stempel van het bosch, de tekenen van bijl en zaag, van houtsplinters en hars, van roet en vuur, - van het woelen-in-de-as in de boshutten, - ja van vis en vogel en kruitdamp en van bloed en ingewanden van grote en kleine dieren. Ze waren zo krachtig en hard, zoo tot in huid en spieren eeltig, van weer en wind en het leven op de eenzame uitgestrekte bergvlakten. Hij dacht aan de handen van den dominee, van den kapitein, van den majoor, - en andere handen die hij gezien had. Die waren zoo schoon en wit.

Maar er zijn ook jeugdboeken van bijvoorbeeld Nynke van Hichtum (echtgenote van Pieter Jelles Troelstra), Jelle van Sipke Froukjes, waar ik me van herinner dat er, dat Jelle bij zijn bezoek aan Amsterdam zich een beetje geneert voor zijn boerenknuisten met korte stompe nagels. Of nee, dat was in het vervolg, Schimmels voor de koets, en dan draait het om Sjoerd die naar zijn oom in Amsterdam komt omdat hij goed viool kan spelen en die de droom heeft bij het Concertgebouworkest te kunnen spelen en het is niet hij, maar zijn omke die zich een beetje geneert:

De oudere man bekeek hem eens van top tot teen – dien jonge kerel met zijn stijve kleren, met zijn bruinverbrand gezicht, zijn door de invloed van zon en wind geheel verkleurd haar – zijn ruwe grove werkhanden met de afgestompte vingers.

Gek, dat juist deze passage me na al die jaren is bijgebleven en nee, toen nog geen ezelsoren, maar ik vond het zojuist feilloos terug, dus het heeft destijds indruk op me gemaakt.

Na de streekroman belandde ik vrij snel bij de ‘echte’ literatuur, waar ik me ook meer bij thuis voel, maar ik had ondertussen wel vrijwel alle Friese boerenromans van enig belang verslonden en af en toe lees ik graag nog eens favoriete passages in de boerenromans van Reinder Brolsma (1882-1953) of J.P. Wiersma (1894-1973),. Aldfaers grûn, (1948) , omdat die met vele andere schrijvers wel dicht aan de literatuur raken. Daarbij is De Reade Bwarre [De rode kater] (1992) van voornoemde Trinus Riemersma veruit mijn favoriet, want dat is grote LITERATUUR helaas niet in het Nederlands vertaald, behoudens het eerste hoofdstuk in de bloemlezing Fries Stamboek bezorgd door Alpita de Jong. Bovendien bediende deze eigenwijze geweldige schrijver zich decennialang van een eigen fonetisch Fries, omdat een voorgenomen eenvoudiger spellingswijze van die taal niet door ging.

De Engelse schrijver D. H. Lawrence (1885-1930) is bekend geworden door zijn romans Lady Chatterley’s Lover, 1928, waarover zelfs rechtszaken zijn gepleegd en Woman in Love. Is bij het eerste boek de hartstochtelijke verhouding van een Engelse Lady, met haar tuinopzichter Mellors het centrale thema, bij het tweede boek draait het om de liefdes tussen een mijneigenaar en zijn vriend aan de ene kant en twee vriendinnen, een onderwijzeres en een beeldhouwster aan de andere kant. Bij beide boeken speelt echter op de achtergrond mee de fascinatie van de upperclass voor working class people , van verfijning tegenover bloed, zweet en tranen. Er wordt in beide boeken enige malen gerefereerd aan de ruwe handen van de werkers, die de tere huid van dames aanraken en daarbij een elektriserend effect hebben.

De dichter en schrijver Kees Ouwens (1944-2004) was volgens mij een auteur met een meer dan gewone fascinatie voor handen. Zijn roman De eenzaamheid door genot (1987) heeft naast een opvallende ‘Verantwoording’, die ik hieronder in zijn geheel laat volgen, een connotatie met zelfbevrediging, zoals de titel ook al suggereert. Voorts heeft Ouwens enige gedichten gepubliceerd, die vrij opvallend naar ‘genot in eenzaamheid’ zouden kunnen verwijzen. Ouwens was een vrij hermetisch dichter en schrijver, maar heeft wellicht op deze wijze enige links van een handmatig behept zijn met zichzelf voor de oplettende lezer in zijn literaire nalatenschap verstopt. ( zie ook onder Gedichten: Met de hand )

Verantwoording

De weg daalde naar een gemetselde brug over een in afgevallen blad vrijwel geronnen waterloop, steeg, maakte een flauwe bocht naar links en verloor zich tussen geboomte. Ik kwam op de brug aan, hield stil aan de rechterleuning en keek uit over het onreine wateroppervlak, het stond laag boven het dode blad, en talloze, uit overhangende struiken en bomen afkomstige, kale, grillige takken staken er spichtig en onnut uit omhoog. Onwillekeurig verbreedde de waterloop, nam de allure aan van een vijver, zwenkte naar rechts en leek uit te komen op een klein meer. Door het roerloos tot boven zijn weerspiegeling grijpend gebladerte schemerde teughoudend en kuis het blanke volume van een monumentaal buiten, het stond zedig van de brug afgekeerd, zodat mijn blik de ramen in het front slechts vluchtig raakte.

Kees Ouwens (1944-2002)

Ik liep weer verder en bereikte na een honderd meter een grindpad; het boog van de openbare weg naar rechts en werd aangeharkt door een jongeman in bruine, ribfluwelen kleding, bestaande uit een praktische maar correcte pantalon met daarop een nauwsluitend jak ter lengte van een kostuumvest; een sluiting van drie paar bruin-wit gemarmerde knopen, dubbel gerijd, sierde het; de zoom was rondom recht gesneden en omsloot, slank afkledend, de taille; wel had het rugpand een korte, zwaluwstaartvormige split, overbrugd door een kleine metalen gesp. Het jak was royaal verlucht met een vlucht hoogopgesneden revers; eronder droeg de tuinknecht een geruite flanellen blouse in gele en bruine tinten, die met het jak harmonieerden. Zijn voeten staken in hoge, grofleren werkmansschoenen met versterkte neus; het schoeisel was toegerust met een vetersluiting die netjes tot in de bovenste gaatjes zat dichtgeregen. Het haar van de jonge tuinknecht, gemeente- of landarbeider, was helblond, dicht ingeplant, kort maar gedekt geknipt, en krulde naar behoren; zijn ogen waren zeeblauw, diep sprankelend, maar oppervlakkig van stemming. Toen ik hem naderde moest hij zijn taak nog nauwelijks zijn aangevangen, begonnen aan de rijweg en achterwaarts harkend naar een nog onzichtbaar eindpunt; hij had nog pas enkele meters van het brede pad , dat de distinctie bezat van een oprijlaan en dat, naar spoedig bleek, ook was, met de hark gedaan en kon dan eigenlijk niet vermoeid zijn, tenzij hij zich hiervoor al had ingespannen, maar toen hij mijn komst had opgemerkt, natuurlijk nadat ik, verbaasd de krokante netheid van mijn buitenwijk ook hier aan te treffen, zijn markante geluidsproductie op de brug al signaleerde, staakte hij zijn arbeid direct, plantte de hark, de tanden omlaag, vlak voor zijn schoenen in het grind, omklemde de steel op schouderhoogte, en bracht, daar ik van links kwam, zijn hoofd aan die kant van het aangrijpingspunt. Dit gedrag nu, dat ik desnoods kon billijken, vond - ik hechtte eraan dit vast te stellen – in mijn optreden zelfs niet de minste aanleiding, tenzij men het luttele feit van mijn verschijnen als zodanig aanmerkte. Deed ik dit, dan school hierin wel geen ijdelheid, maar in deze landelijke uitgestorven omgeving was een passant, tegen de achtergrond van doodsheid, een relevatie, en de tuinmansjongen, blij met elke afleiding om zijn eentonige arbeid te kunnen onderbreken, greep ook de daartoe gezochtste reden met beide handen aan. Ik daarentegen wenste deze tuinknecht, in wie ik slechts iemand zag die, naar zijn gedrag te oordelen, aan mijn natuurgenot geen boodschap had, te passeren zonder op zijn aanhalige handelwijze acht te moeten slaan.

Eerder viel mij al op, bij vluchtige aanschouwing van zijn persoon, hoe hij, ondanks het koele zomerse weer, het boord van zijn geruite blouse kuis gesloten droeg, maar als bij ingeving wist ik dat dit geen uiting was van soliditeit, integendeel, het zou blijken terug te gaan op een mengeling van moedwil en nonchalance, waarin dan – en het gaf een glimp prijs van zijn karakter, dit alarmeerde mijn aandacht! – onvermijdelijk iets onberekenbaars, of juist berekenends en verborgens school. Inderdaad – zo weinig nog verraste mij dit, ofschoon ik niet speciaal deze avance verwachtte – nam de tuinknecht de rechterhand van de hark weg, bewoog de linker om de steel omlaag, bukte, raapte na een korte aarzeling, waarbij zijn hand over het grind dwaalde, een kiezel op, en wierp mij bovenhands en roze aangelopen, wat zijn toeleg weer iets amechtigs gaf, dit kleinood in een sierlijke boog toe. Het was tegen het fond van zijn voldane maar ook gewiekste, stille lach, een onschuldige, zelfs zachtaardige worp – te meer kwelde mij de vraag of ik de kiezel hoffelijk zou aanvaarden, of, toch zonder de jonge tuinknecht hiermee te gerieven, door een afwijzende stap opzij moest ontwijken. Wat evenwel volgde belette elk beraad, ja, nam mij de beslissing uit handen, doordat – hoe vreemd! – mijn bovenlijf een onverhoedse beweging maakte, geenszins om de steen op mijn borst te doen afstuiten – hoe zou ik dit durven! – maar het gevolg was toch dat ik mij hunkerend, ofschoon niet minder mechanisch, naar het projectiel toeboog en het charmante, gladde object opving in het getuite borstzakje van mijn overhemd. Bewees dit toeval niet overtuigend, nog aan het vroegste begin van dit avontuur, haast als een voorteken [cursivering van mij, HSO], dat het mij ook in het vervolg ervan nauwelijks zou zijn vergund de loop van de gebeurtenissen naar eigen voorkeur te bepalen, of zelfs maar af te wachten?

De tuinmansjongen stootte de hark van zich af en slaakte een helle, triomfantelijke kreet. Met een verworpen geluid sloeg de steel tegen het aangeharkte deel van het grindpad; tegelijkertijd werd dit door de halfwas betreden. Hij plantte zijn zware schoenen onachtzaam in de herschikte kiezel, keek mij recht aan maar als zinspelend op iets, bewees terloops dat het hem aan het resultaat minder dan iets gelegen was en dat hij het – en met reden? – tegen de achtergrond van het landschap als zinloos en pervers beschouwde. Mijn verschijnen, redeneerde ik, onderbrak zijn ritmiek – door nu het resultaat van zijn werk, immers ‘qualité négligable’, te minachten, beoogde hij mij de ogen te openen voor het conformisme, waarvan hij mij, gezien mijn voorkomen, kennelijk volkomen doordrenkt achtte.

Kort doortrok mij echter een koude huiver en stond ik met gebogen hoofd en gestokte adem, bevangen door kranke onwerkelijkheid: het was of eng gedierte zich in mij vrat, en roerloos gluurde ik schuins naar de op mijn borst gevangen steen. Toekomstige overpeinzingen, waarin ik de gebeurtenissen van deze dag tot in detail herleefde, wezen pas uit dat ik de diepe stilte om mij heen, die dit moment van ontvangst zo scherp van de overige onderscheidde en in mijn geheugen grifte, toch onwillekeurig stipt geregistreerd moest hebben. Zeker, ik bevond mij in een lege kristallen ruimte. De neervallende hark en het knerpende grind onder de werkmansschoenen maakten op deze bevroren rust zelfs niet de geringste inbreuk, integendeel, de geluiden verjoegen zichzelf. Ook de triomfkreet van de jonge tuinknecht omhelsde dit lot, totdat hij voor me stond – en nog wel pal voor mij! – hij, op de wijze van genadige ontferming, eerst de handen op mijn schouders bracht, de rechterhand dan naar mijn gezicht bracht, met de zijkant van de gekromde wijsvinger onder mijn kin besliste, opwaartse druk uitoefende, als was ik een onwillig kind en beschroomde geliefde tegelijk [cursivering van mij, HSO], zo mijn hoofd ophief, het aldus achterover drong. Ik wist terstond dat deze maatregel in mijn weerspannige blik de reflectie beoogde van overwicht en beschermende genegenheid.

Ik werd ook inderdaad getroffen door de tintelende oogopslag van de nog jonge tuinknecht, maar voelde tevens hoe zijn kalmerende werkmanshand [cursivering van mij, HSO] door de dunne stof van mijn overhemd heen zonder terughoudendheid mijn rechterschouder betastte, en dat de hoek die mijn lichaam met het wegdek maakte de balans waarin het, al stond het opeens ook een weinig uit het lood, zelf zich nog staande hield, onwillekeurig toch moest worden verstoord; ik kon geen nee zeggen. Mijn lichaam scheen zich lijdelijk, uit gemakzucht, of ook uit onmacht – ik wilde nog van geen keuze weten – aan de werking van de zwaartekracht over te geven, zich fatalistisch, of meer nog vrijwillig, te verlaten op onderstand van de geruste werkmanshand .[Idem] Ik liet mij dan ook volledig gaan, scheen inderdaad steeds weer te vallen, om almaar te worden opgevangen; dit stond gelijk met een heerlijk rusten. Mijn blik bleef intussen verwonderd gedompeld in het noordse blauw van de zo heldere ogen; dit blauw was uitzonderlijk actief, trad ook voortdurend uit, naar mij, maar zonder te verfletsen. Ik vergeleek dit met de onuitputtelijke warmteafgifte van de zon; tevens drukte dit blauw ongewone leegte van blik uit, diepzinnig en ontoegankelijk als een hemel en in gelijke mate veel- en nietszeggend.

Toen mijn kin dan ook weldra, ten teken dat mijn weerspannigheid en schroom – zij kruisten zich gekunsteld – ten slotte geheel wegsmolten, de druk op de gekromde wijsvinger van de jeugdige tuinknecht verminderde, bracht, diep beneden de strakke lijn van onze blikken, die elkaar in stilte ontmoetten – de zijne zo dicht bij de mijne, dat deze nauwelijks nog mijn oog verliet, ik zijn uitademing inademde, zodat een streng van lucht onze eenheid bezegelde - ja, toen bracht de jonge tuinknecht onopvallend de ruwe, nu weer vrije rechterhand naar het getuite borstzakje van mijn tere hemd, nam het keitje er tussen de top van zijn duim en wijsvinger uit, terwijl zijn blik, vertederd door de mijne, die nog inniger inhaalde, hield hij het op ooghoogte tussen onze jonge gezichten, en stak het toen in zijn mond. Hij straalde.

Zijn tanden – O, zij waren als ‘afgebeeld! – bleken regelmatig, gaaf en volkomen wit – een zelfde wit als zijn oogwit maar met het verschil in stof als schakering – en naast de kiezel witter nog dan dit. Dit was zichtbaar doordat de gepolijste vondst zomaar in de mondholte rondspoelde, bij verrassing stopzette, nu koket tussen de voortanden verscheen, om zich te tonen. Dan spoelde de steen opnieuw wild door de ronde mond. De blonde wisselde die omloop af met heftige kauwbewegingen, sperde daarbij de ogen wijd open, liet hen rollen, ademde luidruchtig en met diepe teugen, bood een aanblik van schrik en onttakeling, en verzinnebeeldde dit schouwspel in de nervositeit van zijn jonge neusvleugels. O, sprekend een idioot, maar zonder mijn piëteit, wat mij kwetste, want ik was humanitas zelf; dan hoorde ik de kiezel opnieuw onstuimig tegen het gebit ketsen; zo hoorde ik eens in brede buizen, een drab van zand en water transporterend, meegevoerd gesteente stuurloos tegen hun stalen wand kaatsen. Maar de knaap had het roer in handen! Intussen toefde zijn linkerhand onafgebroken op mijn ene schouder, nu eens bedaard, dan weer verdwaasd – was dit laatste het geval, de hand zwierig gepassioneerd over mijn sleutelbeen en het geprononceerde schoudergewricht onder zulk karig vlees! Natuurlijk de vingers behoorden toe aan een handarbeider – maar zochten zij ook een bezigheid, kon dit zijn?

Nadat volgens een liturgie waaraan gezindheid en bos een lasterlijk en heidens accent [cursivering van mij, HSO] gaven – hoe laakte ik dit – de tuinknecht de kiezel tussen duim en wijsvinger uit mijn borstzakje had genomen, eucharistisch in zijn mond stak en met zijn lichaam proefde, voelde ik opnieuw zijn rechterhand preponderant [ibidem, HSO] op mijn andere, ontruimde schouder… en ai, welk een vervolmaking! Tijdens al deze futiele, maar juist klein gehouden, haast gedecimeerde, maar bekoorlijke handelingen, vol van verstolen heiliging, drong zijn lazuli blik onafgebroken mijn oog binnen: richtte zich ook op de offerande tussen zijn tanden; ik emaneerde [ibidem, HSO] uit hem.

Het linker- en rechterzijvlak van mijn hoofd, beide gedacht als zijaanzicht o, ik kende dit uit aanschouwing! – beleden de robuuste, tegelijk intieme aanwezigheid op mijn schouders; de handen namen behulpzaam een idioom van knedingen met mij door, waren als het ware op mijn lichaam in training, maar dit dreef de zijden van mijn gezicht gestaag maar dringend naar elkaar toe, welk beloop het onherroepelijk versmalde, en tevens mijn hoofd ook de miniemste, draaiende of wiegende beweging belette.

Mijn profiel, haastig maar zonder ophef ‘natuur’ dankzij briljante onooglijkheid, vermeed als vanzelf de aandacht te trekken van de flankerende handen, zij gingen evengoed geheel in hun bezigheid op, wendden zich evenmin naar mij toe als dat een van mijn zijaanzichten zich keerde naar de blik tegenover mij. Doordat ik mij van die kant niet zien liet, zagen ook de handen mij niet.

Ook raakte de kiezel afwisselend aan weerskanten van het jeugdig blond gezicht tussen het gebit en de wang, zodat de wang uitstulpte en snoepgoed bevatte, poëtische nabootsing die mij bekoorde, waarop ik zwichtte en de employé mijn sympathie voorgoed won; dan weer, ter demonstratie van gelijkblijvende omvang en ongewijzigde kleur – want op grond van denkbeeldig slinken – werd het object mij kameraadschappelijk tussen de sneeuwwitte voortanden getoond, wat mij herinnerde aan weleer. [ibidem, HSO] Toch was het beslist onjuist dat mij voordien zodanig van speeksel bloeiende lippen en zulk stabiel blauw onder ogen kwamen; nimmer ook, in zoverre mijn gewisheid op het geheugen steunde, had ik gelijktijdig een zo heftige aandrang gevoeld op mijn beide profielen.

De bezieling van de tuinknecht nam twee richtingen; behalve horizontaal, naar mijn zijaanzichten, plantte zij zich omlaag voort door de tere stof van mijn overhemd heen, verspreidde zich dan over sleutelbeen en schoudergewricht, daalde neer in de borstkas, tot, omtrent het bekken, in de lenden haar kracht afnam, bij de lies uitgeput raakte. [Ergo: géén direct erotische respons!, HSO]

Ook kreeg de stabiliteit in de blik van de halfwas allengs iets verschillends, niet door wijziging, door vermeerdering – werd, door aanwas [cursivering van mij, HSO], veelheid hoedanigheid, mijn blik veranderde mee. Verbeeld je, deze tuinmansjongen wilde iets en vormde zich een wil zoals ik een denkbeeld! Dit vond een parallel in een volgende verandering, opnieuw een van hoeveelheid, want de ratelende omloop van de kiezel door de mondholte, verre van verveeld te verflauwen, nam nog in kracht toe, werd ook vaker, maar niet minder plotseling, onderbroken doordat de steen zich druipend tussen de voortanden uitstalde, dan weer naar binnen glipte, in weer vluggere afwisseling als extra de wangen bolden, kortom centrifugeerde. Ik kentekende die verhoogde frequentie schetsmatig en schreef haar toe aan een ademhaling, versneld door opwinding, o, ja, deze tuinmansjongen – hij zocht mij immers – kwam te spréken! In feite beschouwde ik de omloop van de kiezel in de mondholte al als een uitgesproken taaleigen; behoefde het omzetting in vertrouwde vocabulaire, mij klonk het reeds volmaakt gearticuleerd in de oren. Ik zag in de kaakbewegingen ook een pseudo-snoepen [ibidem, HSO], het bracht mij met betrekking tot gebeurtenissen in gemoedsgesteldheid, zoals weemoed, heimwee, weedom. Dit pseudo-snoepen verzwolg mijn gang, noopte tot een mede-aanzitten; waar ik toch geenszins arriveerde, bereidde mij een welkom, dichtte het mij een aankomst toe – kwam ik schijnbaar, ik ging in feite, dat wil zeggen: mijn aankomst was… zijn zorg?

In het gedeeld bezit van mijn vrijheid… mijn blik althans dwaalde gedachteloos af, gleed van de kauwende mond, langs de kin, naar de hals, waar met flukse regelmaat een brokkigeadamsappel [Ibidem] op- en neersprong in het overvloedig geproduceerde speeksel door het pseudo-snoepen in de mondholte… althans door een stukje vrijheid zag ik dit. Terwijl mijn blik dit snoepen nog kon ontvluchten, kregen, aaneengeklonken door mijn gezicht, mijn profielen bepaald geen kans zich vrijer te verhouden tot de handen op mijn schouders, ondanks gelijktijdige drieërlei toewending – naar de handen en naar de blik tegenover mij – of door tweezijdige, opdat tenminste één hand mij op mijn voordeligst zag .[ibidem] Zo stond ik met de rug tegen de muur [ kennelijk niet letterlijk! , HSO], onder gebladerte: Schaduwkoelte, maar de druk op mijn profielen steeg ondraaglijk. Zij – weinig schrander – beantwoordden die met een vlucht in toenadering tot elkaar, weg van de handen. Het deed mijn aangezicht teniet! Restte een streep, golving, lijn van voorhoofd, neus, lippen en kin, zodat ik van opzij bepaald vlak was, waarop zich mijn oortje slechts aftekende.

Ik zei van de handen (zij schuifelden vreemd over de schamele schoudergewrichten, zelfs hebberig, niets minder dan beslagneming, initiatie ? [ibidem] de Eigendom… ah, ongedurigheid, dit vràt door me!), van de handen zei ik: Natuurlijk van vriend tot vriend is zulks geoorloofd, wanneer hij jou kent, met het uitbottend skelet op intieme voet staat – maar dit contact hier op de landweg verwerd, neigde tot ontkleding…o, onder vréémden. De halfwas spoorde mijn schaamte op, leerde zomaar mijn zelfkennis, door het overhemd wel aan het oog onttrokken, maar met zijn tastzin verworven – opdat ik …bloosde?Ik achtte hem ideaal als de deugd der verhoudingen. Hij was rondom gaaf, naar gemoed, in het bijzonder plastisch, als een Werk – het mijne. Naast hem viel ik weg.

Inzake mijn hoofd – het oogde niet – bekende ik mijzelf ‘halfwas’ [ibidem] volkomen proportie, alvast dát denkend – om hem voor te zijn, om niet te lijden! – wat hij dacht nadat hij had gezíen, en wat voor mijn hoofd te vrezen viel. Het werd geflankeerd door een oordeel, en daarom vluchtte het ineen. Het deinsde terug voor de zuivere eenvoud van de werkmanshanden,[ibidem] althans dit was echt in de idylle. De dimensie minder gaf twee aaneenklevende profielen, een… knipsel? En toch, ontdaan van natuur en tijd, geplat tot afbeelding, onderworpen aan een inwijding die Volheid [ibidem] uitvrat, er niets dan waan binnenleidde, dit uiterlijk hield aan gewoonte vast – met wat een gierig rood echter: hoe bloosde het, en hoe schaamachtig!

Om mij heen, in samenhang met mijn reductie, aarzelden het geboomte, het struikgewas, hekken en weiden, ja, dit alles aarzelde tussen aanleunen aan weerskanten tegen mijn profiel, en kantelen, weg van mij: een achter- of voorovervallen van het decor. Een uitzondering gold mijn hoofd, van een dimensie beroofd door detentie. Vlakbij boven het lawaai uit van de ratelende omloop van de kiezel door de tegenoverliggende mondholte, bezong om niets zichzelf een vogel (een lijster?), zo nabij dat mijn oor zich die lyriek ook toedichtte, doordat immers de lijster op mijn profiel zat, op mij, lijntje.

Mijn blik dwaalde dan gaandeweg af naar de geel-bruin geruite blouse; de kleuren waren al aanzienlijk verschoten, nu versmolt de ruit vloeiend en vanzelf, hield mij dit voor; dit vereenzelvigen verleend haar harmonie iets lieflijks en braafs; maar haar verfletste tinten drukten aldoor leed uit: ootmoed van stille huishoudelijkheid en smartelijke budgettering. Zeker de sjofele properheid van deze blouse verschrikte mij, kon zij façade zijn?

Vreesde ik wellicht – mijn angst stoelend op het mogelijke, en niet op het waarschijnlijke? – dat de tuinknecht, na mij te stutten, mij ruw van zich af zou stoten, met als gevolg dat ik, almaar achterwaarts wankelend, tenslotte ten val kwam, en zo terneerlag? Ik vreesde niet zozeer dat hij gauw van mijn gezelschap verzadigd raakte, waarna hij het van zich duwde, zoals hij na te zware voeding bord en stoel afkerig uiteenschoof, wel stond de mogelijkheid daartoe in betrekking met het uit mijn gezichtsveld wegkantelen van het landschap. Het verried in die beweging iets van te worden teruggestoten, vergelijkbaar met dat van mij, te duchten van mijn gezelschap.

Ik ontdekte toen hoe talrijk speeksel – tussen ons – in druppels, draden ook, de laatste traag en elastisch, als door een lek plotseling neerviel. Net weer bewoog zich mijn blik omhoog, langs de geruite blouse en de hals tegenover mij, en het ontging mij niet hoe de reikhalzende, opwaartse sprong van het strottenhoofd, zo blind steeds als het lot, een gereutel klokkend wegslikte, o, nog wel een adspirant spreken, Hygieia! [dochter van Asclepios, God van de gezondheid, HSO] En juist dit keelgeluid scheen naar mijn blik te lonken, ja, deze voorbode van het druipend speeksel, deze onmacht tot vlekkeloze afwatering, belichaamd in het huppend strottehoofd, perforeerde als eerste mijn blik.

Op mijn beurt zette mijn profiel de rateling van de kiezel bedremmeld om in een klanknabootsend krassen, dat van een raaf [onheilssymbool, HSO] , die vogel nu zat op mij, op mijn profiel, mijn takje – terwijl ik vertwijfeld de lyriek zocht – en pikte eetlustig naar mijn blik, tevergeefs zolang ik de ogen hield terneergeslagen, maar toen ik opkeek veroorzaakte het vallend speeksel, lustig druipend van de tuinmansjongen tegenover mij, terstond een perforatie. Kon ik juist nu verwachten dat de knul mij verzadigd van zich afduwde? O, nee, hij hongerde naar mij! Dat plots zijn keel slecht afwaterde, speeksel zijn mond overstroomde en op zijn kin een film van vocht lei, zodat een boodschap van zijn keel naar mijn blik perforeerde… hoe veelzeggend was dit, wat een bijzonder praten!

Ik keek het spog na; het zonk tussen de zware werkmansschoenen naar het plaveisel, viel er weg in de mêlée. Tevens verstomde de rateling, overstemd door een haast eloquente reutel, zijn vreemdspreken; in zeggingskracht ging het dit ver te boven, zo terminaal, dat zwijgen paste. Hij nam zijn hand weg, maar ook die daad was een toevoeging.

De werkhand verscheen tussen ons in, bracht de kiezel uit de mond tevoorschijn, maar in plaats van weg te sterven, zwol keelspraak aan – het raadselen – en niet slechts dit slotakkoord, ook de ontstentenis van de hand bezat bijzondere werking: weliswaar gaf het mijn linkerschouder verlichting, tegelijkertijd ook negativiteit en ontkleding. Zo ook paarde zich de kantigheid van mijn schoudergewricht aan dit; loopt leven weg door de keel, het scherpt haar mare. Ver boven mij in een beukekruin, klonk de beduidende zang van de lijster, maar dit op zijn beurt perforeerde rouwklank.Ik zag hoe de kiezel achteloos naar rechts in de berm werd geworpen, met wat sliertig speeksel als kielspog. En wat een raadselen gaf dit, wat een krasse verwerping, zoals ook mijn linkerschouder leed onder verlating.

 

 

De plaats in de wegberm waar de kiezel in het gras neerkwam onttrok het keitje onmiddellijk aan het oog. Van het speeksel in de mêlée geen enkel spoor, op de smalle zandige zoom tussen wegdek en berm, noch op of in het bermgras. Maar ik keek niet. De jonge tuinknecht schonk mij uitdrukkelijk zijn gulle lach, steeds recht tegenover mijn gezicht. De handen in zijn broekzakken. Op zijn kin het speekselwaas; het waarachtig blauw van zijn ogen. En zijn gebit! Onwerkelijk. Het loodrecht neerhangen van mijn armen. Mijn handen uit mijn broekzakken. Ik hoorde, behalve natuurgeluid als boven ons in de beukekruin: een lijster, het windzingen… ik hoorde weliswaar niets dan een reuteling, maar ik hoorde ook een spreken! Toch dacht ik ook: Kom ik moet eens verder! – en deed een stap opzij, toen ook de blonde een tegenoverstaand been, het rechter opzij bewoog, en daarbij stilweg lachte. Ik overschreed de stoffige kant tussen wegdek en berm, betrad het tanig gras, floot, boog een paar schrale takken van een struik weg, trof toen prikkeldraad aan rond een weide, terwijl het reutelen mij onafgebroken… Zo ook, als mijn arm maar enkel takken van het struikgewas reikte, was een bruin-ribfluwelen arm mijn arm voor. Zo galant! Nu samen aan het hek dromig heenkijken over de weide. O middaagse verrukkingen! Boven ons in de beukekruin de lijster, in de keel van de halfwas naast mij vreedzaam zijn reuteling, van mij mijn adem. Ik merkte toen hoe mijn rechterzijde, quasi onmerkbaar genaderd, in het steeds intiemer gezelschap verkeerde van de bruinribfluwelen flank van de tuinmansjongen. Hij stopte mij zich toe als iets extra’s – maar bracht ik een boodschap? Hij fluisterde, keek voor zich heen over de weide: ‘Zinzendorp.’Toen, vragend: ‘Zinzendorp?’Ik antwoordde fluisterend: ‘Hoezo?’ Hij, fluisterend: ‘Ja?’. Ik herhaalde: ‘Ja?’ . ‘Geef het toe’ , fluisterde hij voort, ‘Zinzendorp. Tien jaar. Geef het toe.’ Op de maat van mijn vieve fluiten klopte mijn rechtervoet in het gras naast een paal van het hek. Ten antwoord een innig schuren van het ribfluweel langs de tere mouw van mijn overhemd, dan zacht wiegelend: ‘ Straks weer terug, straks weer terug, straks weer terug?’ Ik liep plotseling naar links weg, maar hij mij voor, passeert, buigt een struik opzij, nijgt, kijkt schuins omhoog, knipoogt, fluistert: ‘Zinzendorp? Zinzendorp? Ik paardje [cursivering van mij, HSO] ‘ik’, schrijd langs hem heen, til voornaam mijn been op, schrijd paardje langs hem, maar hij is mij weer voor, en telkens. Telkens en telkens. Achter mijn rug: steeds zwiept zo’n struik terug. En telkens als dat zo zwiept die ritseling: ‘ Zinzendorp? Zinzendorp?’

We liepen al niet meer langs de wei, bereikten een pad – ’t kwam links op de weg uit, voerde rechts het bos in. Een beukenzoom, de waterloop, hier diepgelegen, droog toch, anders doorwaadbaar, ja? ’n Sprong van de steile walkant op dor blad, ai, steelse modderaar; een geur, een flukse klim tegen de andere oever. Kon ook nu naar links, naar rechts en terug, maar ging… bij instinct haast: stond hij naast mij, aan de wegkant. Nam ik die richting, begaf ik mij, behalve naar zijn lichaam, dichter ook naar zijn werk, voor het harken… zinnebeeld… zijn grond… coiffure… ik… Ik sloeg instinctief rechtsaf, voel ik die handen op mijn schouders, maar nu van achteren.

Ik vervolg mijn weg, maar hij is mij weer voor, maar aan de rugkant – kantig schoudergewricht, de nek ook, vertex:[punt aan de hemel waarheen sterrenstromen zich schijnen te bewegen, HSO] O, hoe schéndbaar vanachter! Hij buigt naar voren, zijn het mond en mijn oor! Hij brengt terstond het front van zijn ribfluweel naar mijn rug, toetst, [ cursivering van mij, HSO] fluistert: ‘Zinzendorp’, Heel innig: Hier voor jou! Ik staar langs het doodse pad: de beukenzoom, het struweel, de schamende [ibidem] takken, mijn blik. De weide kantelt weg, de waterloop verzinkt: ‘Ja? Zinzendorp? Ja?’

Toen riep ik uit: ‘Maar wat moet ik… ik?’ (het warme front van de rib tegen mijn rug). en hij lispelend: ‘Zeg ja!’En ik (om van hem af te zijn): ‘Ja, Zinzendorp.’En hij weer: ‘Ik ook. ‘Voel ik hoe zijn pak tegen mijn rug drukt, maar zeg: ‘Hoe bedoel je: ik ook?’ ‘wel… ik, ik ook, begrijp je? Vroeger, tien jaar terug – zie je? ‘ en omklemt met brandende nadruk mijn schouders, míj! Maar ik ruk – ruk mij los, draai om, krijt: ‘Maar je was een ander, je had ander haar, ik weet niks!’ [ibidem] en draai weer om. Zijn stappen, zijn keel als afvoer. Hij komt naast me, legt ontfermend zijn arm, prevelt: ‘Ben je moe? ’En nog helemaal naar Zinzendorp? Zo ver! Voel mijn pak eens…’ Hij neemt mijn linkerpols, ontvouwt mijn hand, drukt de palm tegen zijn borst, kijkt mij diep aan – zo blauw! ‘Hoe vind je het? Bevalt het je? De kwaliteit, de kleur… [ibidem] Ken je me nog? Zeg toch ja…’ Ik ruk mijn hand los. Dat hindert hem niks! Hij joelt: ‘Je mag ook knikken hoor!’Ik zucht. Hij: ‘Je kent me wel, hè? Toe, zeg eens wat!’Hij smeekt. Ik zeg: ‘Nu wel, vroeger niet. Ik ken je, want jíj dringt je op!’keer nu bedaard naar rechts, draai om en schrijd naar de weg. Zeg luchtig: ‘Kom ik ga eens verder. Saluut!’ Mijn hand wuift, en ik… gá echt; met heupjes, soms trippel ik![ibidem, HSO] Hij loopt mee op. We komen langs zijn hark, maar hij kijkt niet. En aldoor vragen: ‘maar hoe was ik dan, was ik donker, hoe bedoel je, had ik donker haar, ga je naar Zinzendorp?’Hij struikelt mee, zijn waas druipt, dáár is zijn hark. Steel ligt plat terneer, tanden gekromd omhoog, grind verliest zich tussen geboomte, of… ‘Begrijp me nou,‘ , zeg ik, ‘ik moet… ik kwam…ikik…ik…’ ’Maar het is niet waar!’ Hij schreeuwt het. Maar tien jaar, tien jaar maar!’Strompelt hij zijdelings mee, voorbij de hark, de glanzende steel, zo gepolijst, zo rein…[Ibidem] Dan zeg ik: ‘Luister eens maatje! Ik hoéf niet te liegen! Hier laat ik het bij. Gegroet!’ Hij pakt mijn arm: ‘ Ik pak je arm!’ En tot besluit, bedelend, maar categorisch: ‘Zocht je me echt niet?’

[Einde citaat]

NB: Ik heb voor de leesbaarheid wat meer alinea's gemaakt dan in het oorspronkelijke stuk, waar vrijwel alles aaneen zit met een inspring van drie spaties, maar dat lukte hier even niet. Waar extra 'wit' zit tussen 'verlating' en 'De plaats' zit in het origineel ook een bredere marge en terecht want pas hier wordt overgegaan op dialoog...

Het totale tekstfragment heeft nog het meeste weg van een vertraagd afgedraaide film, de stijl doet denken aan een kruising tussen Louis Couperus en Marcel Proust door het archaïsch woordgebruik, uniek wijdlopig met oog voor het kleinste detail, ook een vleugje Gerard Reve en Jean Genet, lijkt homo-erotisch maar is het mogelijk niet blijkens het vervolg op deze vreemde Verantwoording. Herhaling als stijlmiddel > jonge tuinknecht en halfwas. Schijnbare paradoxen. Onmogelijke lange zinnen en toch fascinerend. Lijkt gekunsteld van taal, maar is het op een bepaalde manier toch niet. Hecht bouwwerk van woorden om te verhullen of juist nieuwsgierig te maken? De meeste cursiveringen heb ik geplaatst om een volgens mij saillant detail wat meer nadruk te geven, want ik ben uiteraard niet van plan het geheel uitvoerig te analyseren. Dat laat ik graag aan de lezer zelf over!

Volgens mij is dit één van de meest curieuze fragmenten uit de Nederlandse literatuur en ik heb het in z’n geheel uitgetikt om te trachten de betovering over te brengen, maar ook om er zelf nog eens extra diep in te duiken met het oog op raadselachtigheden en met het oog op DE HANDEN, die ik met opzet rood heb aangegeven vanwege de ‘dichtheid’ van deze lichaamsdelen in dit stuk tekst.

Volgens mij zegt dat iets over de schrijver en zijn intentie, omdat deze Verantwoording behalve de plaatsnaam Zinzendorp niets met de volgende drie delen van de eigenlijke roman te maken lijken te hebben. Kees Ouwens is wijlen, dus het kan niet meer gevraagd worden,

Maar omdat in de Verantwoording om een ik-figuur gaat en in de roman om een hij-figuur, neem ik aan dat de verantwoording een statement is van een gebeurtenis, die bepalend is geweest voor Kees Ouwens en zijn oeuvre en dat het gezien het veelvuldig draaien rond masturbatie in de roman De eenzaamheid door genot hier iets mee te maken moet hebben. Een vereffening achteraf? Het blijft gissen.

Wat mezelf betreft: Ik heb iets herkend in dit proza, iets wat bij mezelf diepe ontroering opwekte vanwege een soortgelijke situatie, vanwege een handwerker in relatie tot een dichter en dromer, vanwege iets wat mezelf tot mijn laatste snik zal bijblijven…

VERHALEN (en tevens een pleiten voor meerdere goden >pantheïsme)

Zoals Nikolai Gogol (1809-1852) een beroemde novelle De neus (1836) schreef is er voorzover mij bekend kwalitatief niet een vergelijkbaar verhaal, dat De Hand is getiteld, maar er zullen er ongetwijfeld in alle talen die de wereld kent ongetwijfeld enige zijn, maar een zoektocht via Google leverde totnogtoe weinig tot niets op wat mijn aandacht trok.

Maar wat in het vat zit verzuurt niet en zodra ik ergens op stuit, dat de moeite waard is,

Zal ik het hier ter plekke zeker vermelden en natuurlijk houd ik me aanbevolen voor tips.

Wel zijn er zeer veel verhalen waar het woord HAND in de titel voorkomt, zoals De Hand van God, maar hier is het duidelijk meestal een metafoor, het handelen van God en dus niet echt de hand van God. Zagen we maar eens een echte Hand van God, dan zou er tenminste een bewijs zijn van zijn aanwezigheid zonder dat we dat van de diverse godsdiensten maar moeten geloven.

Nee, ik voor mijzelf hecht meer ‘geloof’ aan meerdere (natuur)goden als drijvende kracht achter het leven. Het is de benoeming van iets wat we in de praktijk waar kunnen nemen (groei en bloei) of de geheimen van de onmetelijke ruimte en graag aan een idool willen verbinden, zoals bijvoorbeeld Thor/Donar als God van de Kracht, maar ook van de blixem, Zeus/Jupiter/Odin als een soort oppergod, die het hele zootje een beetje bij elkaar moet houden en een Loki of Vulcanus, die afwijkt als tegenkracht. Niets menselijks is deze goden vreemd en daarom vallen ze volgens mij te prefereren boven slechts één wrekende god uit het Oude testament of één liefhebbende God uit het Nieuwe testament, die dan toch weer dezelfde is als uit het O.T., maar dan ook nog eens ZOON en HEILIGE GEEST en dus toch weer drie?

In de verhalen uit De Bijbel spelen trouwens handen en handoplegging (Jezus) ook een niet te onderschatten rol, niet in de laatste plaats als hij met spijkers door zijn handen of waren het zijn polsen aan het kruis wordt genageld.

Er zijn ook zeer veel verhalen, waarin een hand of handen een rol spelen, maar dat dit niet in de titel terug te vinden is. Het is natuurlijk schier onmogelijk daar maar een begin van een overzicht van te geven, maar soms valt iets op. Ben Borgart z’n roman De Vuilnisroos is niet alleen een boeiend verhaal over een soortement hippie die met een geleend wrak woonbootje min of meer gedwongen vanuit Amsterdam via Noor het Waterland in trekt, maar zweeft ook op de rand van de bestaande maatschappij en het vrije leven en dergelijke literatuur op de rand van de zelfkant heeft altijd mijn bijzondere aandacht gehad. In De Vuinisroos merk je dat de centrale figuur soms zijn handen moet laten wapperen om aan leeftocht te komen en daarmee kom je op de rand van filosoferen over het werken en het werken zelf, zoals vrijwel iedereen dat wel in zijn of haar eigen tredmolen uiteindelijk doet, gewoon om te kunnen leven en eten. Ben Borgart heeft getuige zijn andere boeken veel oog voor het verschil tussen werkhanden en kantoorhanden, maar laat ook in zijn verhalen meerdere malen een losse hand een rol spelen.

In de bundel Troost, Verhalen, 1981, De Bezige Bij, speelt in twee verhalen een Hand een rol:

In Een naam op de valreep is dat een hand, die uit het ijs steekt en een bejaarde schaatser doet schrikken en vallen (verdronkene?) om er even later achter te komen dat het een roze rubber handschoen is, wellicht door kinderen daar achtergelaten? In het verhaal Artikel 461 dreigt in de Flevopolder in woeste wording een jongeman na een nummertje na het verbreken van hun relatie door zijn vriendin met zijn Zwitsers mes zijn rechterhand stuk te snijden:

[…] Het scheelde maar een haartje of de eenentwintigjarige Max p. uit Diemen had zichzelf ernstig verminkt. In die vlaag van verstandverbijstering (zo had niemand hem ooit gekend) had hij namelijk gedreigd zijn rechterhand stuk te snijden…’Ik kan niet in mijn eentje bestaan zonder jou, Nora, echt waar, als jij er niet meer voor me bent wat moet ik dan met die tengel beginnen?’ chantage. Na de eerste schrik, was Nora ijzig kalm geworden en deed misschien het enige juiste om hem van zijn wanhoopsdaad te weerhouden […] Dit nu vind ik Voer voor psychologen, want normaal dreig je je polsen door te snijden of zoiets, maar je hand stuk snijden? Omdat het de hand is, waarmee hij zijn vriendin even eerder op stoom heeft gebracht? Moet die stukgesneden hand symbool staan van haar verlating van hem, dat zelfs masturbatie verder geen optie is, aangenomen dat hij rechts is natuurlijk…

Het feit dat in twee verhalen in één bundel van Ben Borgart een Hand een rol speelt, maakt hem buiten zijn unieke stijl voor mij als ‘onbewust’ zoeker naar handen in literatuur en gedichten interessant om ook zijn andere werk te lezen, omdat ik op de een of andere manier verwantschap voel met de schrijver in en achter zijn werk.

TUSSENCONCLUSIE:

Het valt wetenschappelijk moeilijk te bewijzen maar ik heb na een leven lang van veel lezen en studeren sterk het gevoel, dat degenen die zich artistiekerig bewegen in het schemergebied tussen handen- en hoofdarbeid gemiddeld méér oog hebben voor HANDEN, dan degenen die zich volledig richten op hoofdarbeid of het ambachtelijk werken met de eigen handen.

Kees Ouwens, de intellectueel, die voor een gewoon mens nauwelijks te lezen valt is dan het ene uiterste; hij boetseert met taal op de vierkante millimeter en wat hij te zeggen heeft komt na diep graven in diverse lagen uiteindelijk wel tevoorschijn, onder meer dat hij eigenlijk een fascinatie voor handwerkers heeft in alle betekenissen die je maar kunt bedenken.

Ben Borgart met zijn zwerversnatuur, zijn twaalf ambachten en dertien ongelukken is het andere uiterste, want voelt zich door zijn avonturen geroepen die op te schrijven en doet dat ook zeer onderhoudend rechtuit rechtaan, maar soms rammelt het nogal, zoals bijvoorbeeld in De slakken van Canêt d’Olt, dat uit twee delen bestaat en waarvan het eerste deel een veel te lange en ongeloofwaardige inleiding op het tweede is, dat een ruraal juweeltje blijkt. Ook Borgart schrijft opvallend veel over handen maar met veel meer gebruik van veel bijvoeglijke naamwoorden, dus plastischer.

[toevoeging 24-09-08]

Theun de Vries (1907-2005) geboren in Veenwouden (Friesland) was een groot schrijver maar vooral ook een meesterverteller. Hij heeft zijn jeugdherinneringen onnavolgbaar verwerkt in De vertellingen van Wilt Tjaarda, Querido 1982, met bijzonder veel oog voor detail in de Friese Woudstreek omstreeks 1910-1930, zoals dorpsgeest, geuren, pikorde tussen jongens, eerste verliefdheid, maar met name ook Handen. Als hij enige tijd in Amsterdam heeft gewoond krijgt hij het pijnlijke gevoel even nergens meer bij te horen. Hij is het dorp ontgroeid, maar ook nog niet echt een stadsmens. Het is dit gevoel op de rand van platteland en stad dat zijn kinder- en jeugdjaren achteraf zo prangend en indringend maakt. Een gedeelte van een gesprek buiten op het veld met Grote Wander, de stroper, uit Vrijers om Fokje:

'Klets toch niet, jonge Wilt. Zenuwen bestáán niet. 't Is allemaal inbeelding. Als je daaraan toegeeft is het mis. Kijk mij nou eens. Twee vrouwen in 't graf, maar zelf zo fris als een hoen. Stel je voor dat ik krimp gegeven had. Nee hoor, ik sta 's morgens op, ik doe dit, ik doe dat, en ik ga naar bed en slaap er gezond op. Hoe kom je aan die zenuwen?' 'Je denkt toch niet,' zei ik beledigd,'dat ik het lollig vind? Of dat ik met opzet ziek ben?' 'Opzet is d'r wel bij,' zei Wander. 'Absoluut. Ik weeet 't van dichtbij. Bijvoorbeeld toen mijn eerste vrouw het kreeg. Dan ging het: Wander ik ben zo raar. Word 'ns wakker. Steek het licht op. Ik zie wat. Ik eruit en licht gemaakt. Ik zie niks. Ja ik zie wat. Wat zie je dan? Handen. Handen?' Ja ik zie overal handen. Mens, je ben niet goed snik. Ze komen op me af, Wander! Hou je gedekt wijf, dat ken niet... Maar ik zie ze! Ga dan slapen. Maar dan zie ik ook handen. Nou waarom laat je mij dan opstaan en licht maken? Dat noem ik nou opzet, jonge Wilt. En zo ging het met mijn eerste en zo ging het met mijn tweede... Inbeeldingen, zeg ik!' 'Ja, Wander, dat is mogelijk. Maar dat is het nou juist. Als je zenuwen hebt, zie je en voel je van alles dat er niet is!'

Dit is een passage die zeer opmerkelijk is. De twee vrouwen die Grote Wander zijn ontvallen waren zusters en hij is inmiddels met de derde getrouwd. Het lijkt me duidelijk dat er erfelijk iets mis moet zijn als twee zusters 'handen' zien waar ze niet zijn. Het gaat ook over het eeuwige onbegrip tussen mensen die geestelijk zeer gezond zijn en zich absoluut niet kunnen inleven in wat een zenuwenlijder of erger nog een geesteszieke soms in de diepe dalen van hun leven door moet maken...

toegevoegd 21-06-07:

Peter van Straaten, cartoonist-tekenaar, maar ook schrijver (Agnes) en scherp waarnemer van menselijk gedrag schoot me zojuist te binnen als derde goede voorbeeld van iemand, die zich in het schemergebied tussen handen- en hoofdarbeid een fascinatie toont voor het handwerk bij masturbatie en copulatie maar dan vanuit een meer voyeuristische neiging getuige zijn drie boeken Aanstoot, Nastoot en vrij recent Lust bij een tentoonstelling van zijn erotisch werk in de Kunsthal in Rotterdam. Van Straaten ziet zichzelf blijkens interviews als een vrij verlegen onhandig iemand, die erotische tekeningen maakt uit een soort drang naar 'vacantiewerk' zoals hij het noemt, waardoor hij ontspant.

Pieter Verhoeff, cineast en liefhebber van het werk van Peter van Straaten maakte een documentaire over diens cartoons, erotische werk en Agnes en hoe heet die documentaire? Juist, jawel: EEN GELUKKIGE HAND

klik hier voor meer informatie:

22-06-07

Kunsthistoricus, schrijver en schilder John Berger (Londen 1926), die veel succes had met de BBC-serie Ways of Seeing was oorspronkelijk Marxist, maar miste daarin de ethiek [verschil tussen goed en kwaad] en de esthetiek [gevoel voor schoonheid] en trok zich eind zeventiger jaren terug in een dorpje in de Franse Alpen waar hij werkte aan zijn trilogie 'De vrucht van hun arbeid' waarvan het eerste deel Het varken Aarde wat mij betreft het meest aansprekend is. Hij heeft in Ways of Seeing met name benadrukt dat Vincent van Gogh zo vernieuwend was, omdat hij als eerste boeren tekende en schilderde zonder enkele idealisering, en zo de essentie van het boerenbestaan weer wist te geven, dat mede daarom wereldwijd later zo aansprak. Berger heeft als filosofie dat de wereld zich na de onvermijdelijke ineenstorting van het communisme heeft overgegeven aan de globalisering, maar dat die uiteindelijk ook onder zijn eigen gewicht zal instorten. Hij is van mening dat de meeste mensen geleidelijk te ver van hun 'roots' zijn afgedwaald en stelt de dorpsgemeenschap centraal zonder die overigens te romantiseren. Hij stelt dat voor middels een kruis, waarbij de dorpsgemeenschap geworteld is tussen een zichtbare hemel en aarde en de zijarmen van het kruis de wegen het dorp uit symboliseren. Soms raken namelijk hele dorpen ontvolkt door die (vlucht)wegen omdat men elders zoekt wat in wezen dichtbij is. Ik weet welhaast zeker dat Geert Mak met zijn bestseller Hoe God verdween uit Jorwerd, met zijn nostalgie over de verandering en verdwijning van het platteland, schatplichtig is aan John Berger.

De dichter, schrijver en cineast Pier Paolo Pasolini (1922-1975) hing ook een vorm van Marxisme aan, maar heeft al heel vroeg gewaarschuwd, dat niet zozeer het Kapitalisme een gevaar was, maar dat het daaruit voortvloeiende Massaconsumentisme op de duur de hele Westerse maatschappij zou corrumperen. En hij heeft daarin op slechts enkele uitzonderingen na helemaal gelijk gekregen. Pasolini was iemand die zich als intellectueel aangetrokken voelde tot Ragazzi di Vita, oftewel straatjongens en zat als zodanig ook in het schemergebied tussen hoofd- en handwerkers. Het is triest dat hij uiteindelijk in de nacht van Allerzielen is vermoord nabij het strand van Ostia door zo'n straatschoffie, Pino Pelosi, als enige dader naderhand veroordeeld door de rechter, alhoewel velen van zijn vrienden vermoedden dat er meer achter stak, dat met name extreem rechts in het Italië van toen er belang bij had de grote mond van Pasolini het zwijgen op te leggen.

Als laatste wil ik Jean Genet (1910-1986) noemen, de bekende Franse schrijver, homoseksueel en boef. Hij was gefascineerd door de zelfkant en maakte daar ook min of meer deel van uit. Hij werd ontdekt door Jean Cocteau en later door Sartre, die een lijvige, maar helaas nauwelijks leesbare studie aan hem wijdde: Saint Genet, Martyr ou Comedien. Genet heeft vele prachtboeken geschreven op de grens van het poëtische en het triviale, maar er is zo langzamerhand een beetje twijfel of hij zijn verleden niet wat extra aangedikt heeft. Dat doet trouwens niets af aan de kwaliteit van zijn proza en toneelwerk. Jean Genet is hoewel afkomstig uit eeen arm milieu en opgeklommen tot de literaire elite wat mij betreft ook een voorbeeld bij uitstek van dat stuiteren in het grensgebied tussen denkers en werkers, waar bijzondere kunst uit kan onstaan.

KUNST IS DE ENIGE LEGITIEME MOGELIJKHEID OM TE GENIETEN VAN HET KWAAD

Georges Bataille

[toevoeging 22-04-09]

Uit het Nieuwe testament

En als je hand of je voet je op de verkeerde weg brengt, hak hem dan af en werp hem weg; je kunt beter verminkt of kreupel het leven binnengaan dan in het bezit van twee handen of twee voeten in het eeuwig brandend vuur geworpen worden.

Mattheüs 18:8

Als je hand je op de verkeerde weg brengt, hak hem dan af: je kunt beter verminkt het leven binnengaan dan in het bezit van twee handen naar de Gehenna moeten gaan, naar het onblusbare vuur.

Marcus 9:43

[toevoeging 22-05-09]

[...]Hans Castorp blickte auf diese Hand, - er hatte viel Sinn und kritische Aufmerksamkeit für Hände und war gewöhnt, auf diesen Körperteil zuerst, wenn er neue Bekantschaften machte, sein Augenmerk zu richten. Sie war nicht sonderlich Damenhaft, die Hand, die das Haar stützte, nicht so gepflegt und veredeld, wie Frauenhände in des jungen Hans Castorp gesellschäftlicher Sphäre zu sein pflegten. Ziemlich breit und kurzfingrig, hatte sie etwas primitives und Kindliches, etwas von der Hand eines Schulmädchens; ihre Nägel wussten offenbar nichts von Maniküre, sie waren schlecht und recht beschnitten, ebenfalls wie bei Schulmädchen, un an ihren Seiten schien die Haut etwas aufgerauht, fast so als werde hier das kleine Laster des Fingerkauens gepflegt.[...]

uit Der Zauberberg van Thomas Mann, Berlin 1924

Favoriete romans en literatuur:

Opvallende aandacht voor Handen in de literatuur vond ik o.a. bij de meeste romans en verhalen uit de naturalistische en realistische periodes waarbij Emile Zola (1840-1902) natuurlijk op de voorgrond treedt, waar hij het leven van arbeiders, boeren La Terre en mijnwerkers Germinal (1884-1885) zeer uitbundig en met oog voor detail weet uit te beelden

In eigen land is J.J. Cremer (1827-1880) met Fabriekskinderen (1863), waarin hij de wantoestanden rond kinderarbeid aankaartte natuurlijk een goed voorbeeld van het kinderhandje dat slechts met moeite en ten koste vaan zwaar werk werd gevuld.

Ook bij Curzio Malaparte (1898-1957 in zijn beroemde roman Kaputt (1944) kwam ik meer dan gemiddeld opvallende beschrijvingen tegen verbonden aan personen, zodat ik er vrij zeker van kan zijn dat deze schrijver ook een bepaald type handen met een karakter verbond.

Uiteraard zijn er honderden, zo niet duizenden titels, waar het woord HAND op de een of andere manier in een of andere taal voorkomt. Meestal is er wel een relatie met de inhoud en soms is een titel een middel geweest om een bepaalde lezersgroep aan te trekken.

Zo ben ik er zeker van dat een titel als De linkerhand der Liefde (1956) van Dr. J. van Arkel Zegwaard een pseudoniem van H.P. van den Aardweg(1899-1971) in de tijd een signaal was dat deze roman homo-erotisch van aard was. [ Gelieve deze Van den Aardweg niet te verwarren met G.J.M van den Aardweg, Homofilie, neurose of dwangzelfbeklag, Amsterdam 1976]

De vingers van de Linkerhand, Uitgeverij Kroonder (1947) van Jef Last (1898-1972) zijn evenzoveel portretjes van links gerichte vrienden, waaronder Freek van Leeuwen als terzijde figurerend, die één de oprichters van het COC was en degene, die tegen zijn wil de bron was voor veronderstelde homoseksualiteit bij Marinus van der Lubbe.

Echter Jef Last was bevriend met de Franse literator en steeds openlijker homogerichte Gide en stak in Mijn vriend André Gide en in zijn postuum verschenen pornoroman De zeven caramboles onder het pseudoniem Co Mantjes niet onder stoelen of banken waar naast zijn huwelijk zijn voorkeuren hadden gelegen.

DANTE: Graaf Ugolino bijt in De Hel op zijn handen . kinderen vragen of hij honger heeft, waarna hij eigen kroost opeet…

Arthurromans: Het zwaard uit de steen > vrouwenhand trekt Excalibur onder water

LITERAIRE TITELS IN MIJN BEZIT vanwege het voorkomen van HAND in de titel:

Nol Gregoor, Mijn bange hand, 1983, Kwadraat [verhalen, waaronder titelverhaal en gedichten

John Irving, De vierde Hand, 2001, De Bezige Bij [roman, die ik nog moet lezen, maar volgens de achterflap gaat het o.a. over een handchirurg]

Jean Paul Sartre, Les Mains sales (ook vertaald als Vuile Handen) toneel

Peter van Straaten, Handbagage, 2003, De Harmonie, Rainbow pocketboek 676 [ handzaam boekje met de van hem bekende cartoons voor op reis]

Er staat niet het woord hand in de titel en toch is het een roman met relatief veel handen, zoal in bovenstaand fragment duidelijk gemaakt.

Kees Ouwens, Eenzaamheid door genot, 1987, Meulenhoff

toevoeging op 20-06-07:

Wie meer wil weten over literatuur in relatie tot werk en werkers kan ik van ganser harte THE OXFORD BOOK OF WORK aanraden, edited by Keith Thomas, een dikke pil uitgegeven door Oxford University Press in 1999, want hierin vind je keurig verzameld (bijna) alles aan literatuur en gedichten rondom handwerk en hoofdwerk.

Cato*, Goed boeren [De Agricultura], Athenaeum - Polak & van Gennep,1996

Plinius, De Wereld, Naturalis historiae, Athenaeum - Polak & van Gennep, 2005 [ zeer leesbare dikke pil, een soort verhalende encyclopedie over De Oudheid]]

Voor mij belangrijke auteurs en enige boeken in verband Handen, Werkers, Zelfkant, Boerenbedrijf, etc.

Robert Anker, Negen levens ; Gerbrand Bakker, Boven is het stil ; BEOWULF ;Boelgakov, De meester en Margarita ; John Berger, Het varken aarde; Louis Paul Boon, Kapellekensbaan ; Ben Borgart, De Vuilnisroos ; Hafid Bouazza ; Reinder Brolsma ; Emily Brontë, Woeste Hoogten ; Cervantes, Don Quichotte ; Geoffrey Chaucer, Canterbury Tales ; Louis Couperus, Iskander ;Dante, Divina Commedia ; Rudi van Dantzig, Voor een verloren soldaat ; Midas Dekkers, Lief dier ; Knut Faldbakken, De zomer dat ik zestien werd ; Jean-Paul Franssens, Een gouden kind ; Dostojevski ; Erasmus, Lof der Zotheid ; Jean Genet, Dagboek van de Dief ; André Gide ; Gogol, De dode zielen ; Günther Grass, De Bot ; Hella Haasse, Maarten 't Hart, Ik had een wapenbroeder ; Jaap Harten, De getatoeëerde Lorelei, A.F.Th. van der Heyden [alleen het vroege werk]; Homerus, Ilias & Odyssee ; J.K. Huysmans, Uit de diepte, Christopher Isherwood, Goodbye to Berlin ; Franz Kafka ; Gerrit Komrij ;Jerzy Kosinsky, De geverfde vogel ; John Irving, GARP ; James Joyce, Ulysses ; Simke Kloosterman [Fr.] Hengist en Horsa ; Tom Lanoye, Kartonnen dozen ; Jef Last, Zuiderzee ; Haldor Laxness ; Gavino Ledda, Padre padrone ; Elfriede Jelinek ; Geert Mak, Hoe God uit Jorwerd verdween** ; Curzio Malaparte, Kaputt ; Klaus Mann, Der Wendepunkt ; James Meek, Uit liefde van het volk ; Yokio Mishima, Bekentenissen van een gemaskerde ; Robert Musil, Die Verwirrungen des Zögling Törless ; Redmond O'Hanlon ; George Orwell ; Pier Paolo Pasolini, Ragazzi di Vita ; E. Annie Proulx, mijn favoriete schrijfster, Accordeonmisdaden ; Rabelais, Gargantua et Pantegruel; Gerard Reve [alleen het vroege werk], Trinus Riemersma [Fr.] De reade bwarre; Upton Sinclair, The Jungle*** (1906) ; Stephen Spender ; Theodor Storm, Der Schimmelreiter, Graham Swift, Waterland, Tolstoi ; Herman Teirlink, Het gevecht met de Engel ; Michel Tournier, De Elzenkoning ; Adriaan Venema ; Jan Wolkers ; Emile Zola, La Terre ; Koos van Zomeren, Wat wil de koe en vele, vele anderen

maar dus ook: Cor Bruijn, Sil de Strandjutter, Wil den Hollander-Bronder, Boerin in Frankrijk; Gullbransen, En eeuwig zingen de bossen

 

* dezelfde senator Cato de Oudere die in de Romeinse Senaat altijd riep: Overigens ben ik van mening dat Carthago verwoest moet worden.

** Jorwerd is mijn geboortedorp

*** Roman die wereldwijd indruk maakte over de Slachthuizen van Chicago

Sprookjes

Wilhem (links) & Jacob Grimm (1847)

Momenteel is me slechts één sprookje bekend, waarin handen de hoofdrol spelen, waar twee meisjeshanden wegens een belofte aan de duivel worden afgehakt en vervangen door twee zilveren handen. Dit sprookje is van de Gebroeders Grimm en bekend geworden als: Das Mädchen ohne Hände oftewel Zoekt en gij zult vinden: Het meisje zonder Handen.

Er moeten er echter nog meer zijn; als ik ze tegenkom zal ik ze uiteraard hier vermelden en/of nog een link toevoegen.

 

2. POËZIE:

 

MIJN HANDEN

 

Ik zie op mijn oude handen -

Hun taak is bijna gedaan -

Brachten ze eer of schanden?

Brachten ze regen aan?

O mijn handen! mijn handen!

 

Ze hebben al rimpels en vouwen,

Vlekken bruin, die geen water wist.

Ach! al te groot vertrouwen!

Wat hebben ze vaak zich vergist!

Mijn handen! mijn handen! hoe dikwijls

Hun schoonst bedoelen gemist.

 

Nu gaan ze welken en kwijnen,

Ze laten zich niet meer gebiên,

Uiteen valt de kunstige fijne

Gehoorzame machien –

O handen, mijn handen, gauw zal ik

Uw schrift niet langer zien.

 

Dan worden ze mager en beven,

In verlangen naar eeuwige rust;

Dan is ’t laatste woord geschreven,

Het laatste kaarsje geblust.

En mijn handen, mijn handen, voor ’t laatst nog

Door lieve lippen gekust.

 

Nog eens doet mij wil hen buigen

In gehoorzaamheid naar elkaar;

Zo zullen ze blijven getuigen

Van mijn gang tot den zaligen schaar.

O mijnhanden, mijn handen, verstijfd dan

In durend aanbiddingsgebaar.

 

Frederik van Eeden (1860-1932)

Ik maak mezelf niet wijs dat ik me kan meten met een beroemde Tachtiger Van Eeden, juist ja, die arts en schrijver over Terug naar de Natuur in zijn kolonie Walden, maar ik heb uiteraard zelf ook enige handengedichten geproduceerd:

 

Stro, hooi,

zijn handen,

ruw, mooi.

 

Dit puntdicht is kort en beeldend evenals de haiku:

In boerenknuist

het geelgroen lover verlept

een winterwortel

Ook kort, maar meer een statement is:

 

Als er niemand meer is,

heb je altijd nog jezelf

bij de hand

Al een echt gedicht of rijmsel is dan:

 

ODE AAN MIJN RECHTERHAND

 

Jij, als mijn beste vriend

hebt een lofdicht wel verdiend.

Ook als trouwe dienaar slechts

bleef je gelukkig altijd rechts.

Zelfs toen ik links was in de zestiger jaren

bleef jij mij wonder op wonder baren.

Niet beducht voor zware Van Nelle-dampen

behoede je mij voor drugsroesrampen.

Menig glas mocht jij vast houden

of flesjes bier, het liefst een koude.

Voor gulzig eten was je zeer geschikt,

hoewel ik vaak heb nagehikt.

Jouw vinger was de beste maatjes

met tal van niet nader aan te duiden gaatjes.

Ook hield je trouw mijn schacht omvat;

zonder jou had mijn libido minder geneugten gehad.

Vaak hield je de handen van kind en vrouw

op mooie momenten bij hou en trouw.

Maar dat je dikwijls de pen mocht voeren

kan mij tot slot het meest ontroeren.

 

Dit gedicht uit 1998 werd opgevolgd door het meer hermetische :

 

SYMBOLEN

 

Hònnen fòn mònnen, prima inter pares, nooit te negeren

in geur van gier, gras, hooi, oud ijzer, hout, olie en zweet.

Oprjochte Fries begint en eindigt in onderwal.

 

Homunculus bevestigt vermoeden, gevolgd door Noorderlicht:

Homo erectus onderscheidt zich niet slechts door gore tengels,

doch volume grijze massa = evenwicht met tactiele tengelen.

 

Zweefmolenbakje hoog opgestoten door groffe kloeren geeft

tinteling, drinken lauwe thee door tuit in hooiland, de roep van

een kievit bij morgengloren en kraspootjes mussen op dak.

 

Een roodharige Minotaurus met eiken hout niet op goede grond

gebouwd. Seth volgt op bokkepoten Lucas, de eerste der

zeven. De blik van die koe op dat moment deed ertoe.

 

Hals-romp is kop allang kwijt en Sicco bedoelde het zo goed.

Laatste gier bleek leugen; grond gedrogeerd na inspuitingen.

Geriefbosjes schieten dikwerf hun doel voorbij.

 

Water, wateren, de lucht van slootjes, zojuist van plant en kroos

ontdaan. Die houding: hekel bij mij nooit de hekkel! Vervloekt al

wat bromt, snerpt of brult in naam van de vooruitgang.

 

Taal, talen, woorden en tekens, eeuwig inzetbaar en omzetbaar

tegen de chaos, alsook gegoochel met cijfers en getallen.

Van Alpha tot Omega [digitaal 010] 333 SUM.

 

Sol, maar meer nog Luna in schijngestalten. Hamer van Thor,

Wodan's raven. Tiwaz zwaard, Freya vóórfeministies, met als

keerpunt de Saturnalia: "Pikerje net, it komt dochs oars!"

 

Geurig kruis slechts; kruishout minder, al laat Bach elke Ostara

waterlanders los. Rituelen met of tegen elementen onmisbaar.

Normen en waarden noodzaak in strijd met anderen en zelf.

 

Mama Leone, Pan's lokfluit en Denker van Rodin. Mercurius die

protomodern spuit. Adagietto met Tadzio en Sean Bean sempre.

Dokwerker met leeg blikje Heineken.

 

Heteroniem verjaagt homoniem: Turbulentus, Drs. Lieuwe Letbloeyer,

Frou Heske Trogdedoar-Baltstra, Melle Maelstrøm,

Inne Ingweonstra en Kjeld@Lytsekul.

[ Het volledige gedicht van 999 regels is sinds 12-12-07 te lezen bij ARCHIEF ]

 

Dit komt uit een autobiobundel van exact 999 dichtregels, beetje raar wel…maar genoeg van en over mezelf.

Volgens de biografie (1988) van Wim Hazeu over de dichter Gerrit Achterberg (1905-1962), was deze niet alleen een uitzonderlijk dichter en een gefrustreerd man (hij vermoordde zijn hospita), maar blijkens een mededeling van een vriend was hij ook een verwoed onaneur, tot soms wel zeven keer op een dag, waarvan die vriend zo schrok dat hij hem naar een arts stuurde, die zei dat vanzelf wel over zou gaan, maar blijkens de biografie heeft Achterberg hier nog zeer lang mee geworsteld. Uit een brief is een prapisch (naar de Romeinse God Priapus, die meestal werd afgebeeld met een enorme fallus) fragment bekend:

 

Den rooien loozer van mijn zaad

heb je de kop omkneld

Je vingeren beten zich om hem heen.

 

Ik heb me altijd afgevraagd of het beroemde De dichter is een koe hieraan gerelateerd was > Voer voor psychologen?

 

DE DICHTER IS EEN KOE

Gras... en voorbij het grazen

lig ik bij mijn vier poten

mijn ogen te verbazen,

omdat ik nu weer even grote

monden eet zonder te lopen,

terwijl ik straks nog liep te eten,

ik ben het zeker weer vergeten

wat voor dier ik ben - de sloten

kaatsen mijn beeld wanneer ik drink,

dan kijk ik naar mijn kop, en denk:

hoe komt die koe ondersteboven?

Het hek waartegen ik mij schuur

wordt glad en oud en vettig op de duur.

Voor kikkers en kinderen ben ik schuw

en zij voor mij: mijn tong is hen te ruw,

alleen de boer melkt mij zo zalig,

dat ik niet eenmaal denk: wat is hij toch inhalig.

's Nachts, in de mist, droom ik gans onbewust

dat ik een kalfje ben, dat bij de moeder rust.

 

Richard Minne, bewonderd door o.a. Gerard Reve was (1891-1956) was Vlaams dichter en boer. Ik heb dat altijd een fascinerende combinatie gevonden. In Friesland is dezelfde combinatie te vinden bij Douwe Hermans Kiestra en de wellicht nog beter bij de bekende dichter en wetenschapper Obe Postma die veel over het Friese land en leven heeft gepubliceerd omdat hij ooit als boerenzoon was geboren in het dorpje Cornjum waar nu de Afsluitdijk begint en altijd een grote nostalgie naar het platteland heeft behouden.

Van Richard Minne is in mijn bezit Wolfijzers en Schietgeweren, een gezamenlijke uitgave Van Manteau te Brussel En Nijgh & Van Ditmar te Rotterdam uit 1942, dat blijkens een aantekening van de schrijver op bladzijde 86 al werktitel ook Distels of Tengels had kunnen heten. Tengels is zoals wellicht bekend een vrij grove vorm voor het woord handen, vandaar uiteraard dat ik nieuwsgierig werd of Minne opvallende handen gedichten in deze bundel had.

In de Inleiding op blz. 15 van M. Roelants lijkt het meteen raak:

 

Tobbie, de melkkoe, ’t ronde beest,

Die de margrietjes werkt naar binnen,

En ’t zeel in handen, Richard Minne,

Die de Karamazof’s leest.

 

Verderop echter valt het vies tegen of het moet zijn het gedicht:

 

DAGEN: I

Somtijds bij oude munten,

verzameld in een schrijn,

denk ik aan alle dagen,

die reeds vervlogen zijn.

 

Dukaten en florijnen,

wat vreemde namen al!

versleten effigieën,

versleten jaargetal.

 

De meeste zijn van koper

en enkle slechts van goud,

die ik, verwend wat lang

tussen de vingren houd.

 

Zoo heeft mij enkle dagen

het leven uitgespaard:

wat glans op mijne handen

naïevelijk bewaard.

 

Is het niet gewoon ‘wishful thinking’ van mij dat boerendichters het meer dan gewoon over hun eigen (werk)handen zouden hebben? Ik vrees van wel, want het feit dat ik daar nou mee behept ben, wil niet zeggen dat elke dichter of schrijver, die uit het boerenleven stamt of daar op een andere manier mee verbonden is, met hetzelfde behept zou zijn, al weet ik uit eigen waarneming zeker, dat de meeste boeren of arbeiders wel degelijk trots zijn op hun grote werkhanden. Mijn queeste naar de combinatie van dichter, boer, arbeider en hun handen is, vrees ik, toch een beetje een slag in de lucht.

[ Alhoewel, ik vond op 24-11-07 in Poëzie en Proza II Van Leeuwen Stemvers, 1969 Wolters-Noordhoff toch nog een prachtig gedicht van Richard Minne uit 1926]

ODE AAN DEN EENZAME

 

Gelijk een bron

zijt ge in de zon

op de hoogvlakte van Pamir

 

Geen herder zelfs

die in 't gewelf

van zijne hand uw klaarheid schept.

 

Van heinde en ver

alleen een ster

schiet toe en geeft zich gewonnen.

Uit: "In den zoeten inval"

Verder moet ik het maar doen met meer banale maar wellicht in wezen toch zeer basale:

Met de Hand: bevredigende gedichten, samenstelling Rob Schouten, 1992, Arbeiderspers

 

UIT GEWOONTE

 

Toen ik mij in de vrije natuur bevond

met in mijn hand een uitgedoofde sigaret

en ergens in mijn achterhoof een hoer

die achter een boom zou staan om mij

te foppen en dan plotseling te voorschijn kwam om mij te dwingen haar

te bezitten in laag maar ondoordringbaar struikgewas

en daarna op de achterkant van een

gebruikte ansichtkaart mijn adres opschreef...

 

en ik voor de zoveelste keer een pad afliep

met God halverwege mijn hersenen

en het hiernamaals als een diploma in mijn binnenzak,

begaf ik mij naar een boom om te urineren

maar in werkelijkheid trok ik mij af, uit gewoonte.

 

Waarnaar verlangde ik toch?

 

Kees Ouwens,

oorspronkelijk uit de bundel Intieme handelingen, 1973

Natuurlijk is het niet mijn bedoeling hier nog een hele rij rukgedichten te plaatsen, maar Kees Ouwens, waar ik eerder een lang prozafragment van liet zien, bevindt zich in deze bloemlezing in het goede gezelschap van o.a. Martialis, Simon Vestdijk, Johann-Wolfgang von Goethe, Gerrit Komrij, Anne Enquist, Adriaan Morriën, Constatijn Huygens en vele vele anderen. Wat me wel opviel is dat Kees Ouwens opvallend ruim vertegenwoordigd is.

Ik eindig dit hoofdstuk [voorlopig] in stijl met een mooi bijna 1500 jaar oud gedichtje dat niet in Met de hand staat, maar in Spiegel van de Griekse poëzie, van oudheid tot heden, samengesteld door Hans Warren en Mario Molengraaf, 1988, Meulenhof, Amsterdam:

 

 

DE VOLMAAKTE LIEFDE

een hoer?

tel je geld maar

een meisje?

eerst trouwen!

je vrouw?

liefde als plicht?

die van een ander?

handen thuis

een knaap?

vergeet het maar

een weduwe?

te bot of te zot

je dienstbode?

slaaf van een sloof?

die van je buur?

toegang verboden!

Diogenes was beter af:

die had een paar trouwe handen

als partner

 

NB: De filosoof Diogenes leefde in een ton en zag er geen been in volgens de anecdote in het openbaar te masturberen als een soort ultieme vrijheid

 

Ontbreekt nog een lied liedje uit ’t “Schaep met de Vijf Poten” van Eli Asser en Harry Bannink in de nieuwe versie gezongen door Marc-Marie Huybrechts met een ietwat bozig mannenkoor op de achtergrond:

 

 

WAAR VIND JE TEGENWOORDIG NOG EEN GOEIE TIMMERMAN?

Refrein:

Waar vind je tegenwoordig nog

een goeie timmerman

Die wat zijn ogen zien

met zijn handen maken kan?

De hele samenleving wordt

er zenuwachtig van

Waar vind je tegenwoordig nog

Een goeie timmerman?

 

Een neef van mij heeft

een timmerman

op zolder opgesloten

De man zit in een keurig hok

met kind en echtgenote

Hij zit daar maar, die timmerman

en mag zich niet vermoeien

Mijn neef bewaakt hem dag en nacht

want het is een hele goeie

Refrein

Mijn neef verwent zijn timmerman

met spijzen en met dranken

want hij heeft aan diezelfde knaap

een heleboel te danken

Zodra hij weer een klusje heeft

haalt hij hem naar beneden

Zo leven zij al zeven jaar

heel vrolijk en tevreden

Refrein

Laatst kwam er iemand aan den deur

mijn neef deed zelven open

Het was een bank die naar hij zei

zijn timmerman wou kopen

De kerel zwaaide met een cheque

mijn neef bracht hem tot zwijgen

en sprak: “Meneer ik ben daar gek,

ik hou hem voor mijn eigen!”

 

REFREIN uit volle borst…

 

NIEUW 14-06-07

HERKENNINGSTEKEN

Een klerk herkent men aan zijn hand,

Een koning aan zijn beeldenaar,

Een vingerafdruk wat kant

Men zoeken moet naar stokebrand,

Bankrover, dief of moordenaar.

 

Doch wie de dichter kennen wil

Moet raden wat verborgen pijn

Hem zo geduldig en zo stil

Doet buigen voor de vreemde gril

Der woorden die zijn dienaars zijn,

 

Geen rijmkracht en geen beeldenschat

Geen onophoudlijk taalgevijl

Onthullen wat zijn hart bevat.

Men kent hem aan 't onzegbre, dat

Hij wegveinst in zijn stijl,

Anton van Duinkerken (1903-1968)

[toegevoegd na Prinsjesdag 2007]

De koningin van Lombardije

 

De koningin van Lombardije

Ging in haar rijtuig, ging in haar rijtuig

De koningin van Lombardije

Ging in haar rijtuig rijen

 

Ze wuifde naar links en ze wuifde naar rechts

Ze wuifde met haar hand

En 's avonds ging ze slapen

In een zilveren ledikant

 

En als ze sliep dan wuifde ze nog altijd met haar

Altijd met haar hand

 

De koningin zei bij haar eigen

"Altijd dat wuiven, altijd dat wuiven"

De koningin zei bij d'r eigen

"Laat ze de wim wam krijgen"

 

Toen liet ze een hand vervaardigen

Bij een poppenfabrikant

Een hand die in zijn eentje woof

Van de een naar de andere kant

 

Ze zond haar rijtuig door de stad met enkel maar die

Enkel maar die hand

 

Maar op een woensdag reed die wagen

Tegen lijn zeven, tegen lijn zeven

"Ralalaboem", zo zei die wagen

En alle mensen klagen

 

Een grote brancard van EHBO

Was dadelijk bij de hand

Ze dromden naar het rijtuig

Maar wat kregen ze het land

 

Want voor 't gebroken raampje was allenig maar die

Enkel maar die hand

 

Toen de ministerraad dat hoorde

Van Lombardije van Lombardije

Toen gingen ze met hoge boorden

De koningin vermoorden

 

Maar zeg eens wat gebeurde er met die hand

Die hebben ze op 't graf gezet, zo rechtop in het zand

 

Als u naar Lombardije gaat dan ziet u nog die

Ziet u nog die hand

Wim Sonneveld

 

[12-10-07]

Dierbaar oud klokkenspel

het luiden lang voorbij

bungel nog maar rustig wat

van de handen vrij...

Moi

[21-06-08] ZONNEWENDE

AAR VAN DE WERFHORST (1907-1994)

 

Ik heb jouw handen gezien;

ze waren alleen in een vreemde stad.

In de spiegel zag ik een oude man,

moe en niet meer blij met het leven. -

Jouw handen braken het brood,

ik zag in de spiegel mijzelf.

 

Het waren jouw handen, wit en zorgzaam,

vlak naast de mijne op tafel.

Maar in de spiegel zag ik bedroefde ogen.

Jouw handen braken het brood.

 

Maar in de spiegel zag ik:

ze gaven het niet aan mij.

En toch, jouw handen braken het brood,

naast mij op de tafel.

uit Gastenboek van Singel 262, Querido 1963

met dank aan Boekwinkeltje De Hutsekluts te Breda

Toevoeging 15-12-08

TRIJE HANNEN

 

op it wite lekken

trije hannen

 

 

in smelle ferwylke hân

in stevige ferwierre hân

in smelle glêde hân

 

de smelle glêde streaket

de smelle ferwylke bleke

eagen ljochtsje op

 

omfieme

 

befêstigje

 

DRIE HANDEN

 

op het witte laken

drie handen

 

een smalle verwelkte hand

een stevige verweerde hand

een smalle gladde hand

 

de smalle gladde streelt

de smalle verwelkte bleke

ogen lichten op

 

omvatten

 

bevestigen

 

Marijke de Haan

uit Kavel met Uitzicht

Fersen/Gedichten

Utjouwery Frysk en Frij, 2008

 

Favoriete dichters en hun bundels:

toegevoegd/gewijzigd 08-06-09:

Gerrit Achterberg, Verzamelde gedichten, Querido, 1984

H.H ter Balkt, In de waterwingebieden, gedichten 1953-1999, Bezige Bij, 2000

Baudelaire, Les fleurs du mal /De bloemen van het kwaad.

Tsead Bruinja, De man dy't rinne moat, Utjouwerij Bornmeer 2001

Carmina Burana, vagantenliederen uit de Middeleeuwen

Ida Gerhardt, Verzamelde gedichten I & II, Athenaeum - Polak & Van Gennep, 1995

Jac. Van Hattum, Verzameld werk, Verzen, Van Oorschot, 1993

Eeltsje Hettinga, Dwingehôf, Steven Sterk, 2000

Tsjêbbe Hettinga, It doarp Always Ready, CD, Utjouwerij Montagne, 2000

Tsjisse Hettema, It eachwyt fan de simpele rider, Koperative Utjouwerij, Boalsert, 1999

Douwe Kalma, Dage, fersen I, J. Kamminga, Dokkum 1927

K.P. Kavafis, Gedichten, Uitgeverij Bert Bakker, 1984

Rutger Kopland, Gedichten 1966-1999, Van Oorschot, 1999

Lautréamont, Les chants de Maldoror / De zangen van Maldoror

Douwe Hermans Kiestra, Samle Fersen, Osinga Boalser (Bolsward) 1982

Bartle Laverman, Boerefersen 1994-1969, Koperative Utjowerij, Boalsert, 1996

Hans Lodeizen, Gedichten, Van Oorschot, 1952

Hendrik Marsman, Verzamelde gedichten, Querido, 1984

Les Murray, De slabonenpreek, Meulenhoff. 1997

Les Murray, Freddy Neptune, roman in verzen, Meulenhoff, 1998

Piet Paaltjens, Snikken en Grimlachjes (diverse edities)

Pier Paolo Pasolini, Le ceneri di Gramsci /De as van Gramsci

Edgar Alan Poe, The Raven (1845), ook in het Fries vertaald door Douwe Tamminga

Obe Postma, Samle Fersen, Bosch & Keuning / De Tille (1978)

Gerard Reve, Verzamelde gedichten, Van Oorschot 1987

Rimbaud, Le bateau ivre, [ook in Friese vertaling van Theun de Vries]

Keuze uit de gedichten van Henriëtte Roland Holst, Brusse NV, Rotterdam 1918

J.J. Slauerhoff, Verzamelde gedichten, Nijgh & Van Ditmar 1998

Spiegel van de Friese Poëzie, van de zeventiende eeuw tot heden, Meulenhoff, 1994

Paul Verlaine, Femmes/Hombres (1891)

Villon, Oeuvres Poétiques, Garnier-Flammarion,1965

Abe de Vries, De weromkommer yn it ûnlân, Utjouwerij Bornmeer, 2002

Cornelis van der Wal, Sinnestriel op it offermês, Koperative Utjouwerij Boalsert, 1997

Walt Whitman, Leaves of Grass (1855) Leaten fan gers (2007) [Friese vertaling van eigen hand]

Pieter Yedema, Manneboete, sonnettekrâns op in sonnet fan Douwe Kalma, Koperative Utjouwerij 1991

maar dus ook:

DE LOF VAN DE BOER, Allert de Lange, 1942

Richard Minne, Wolfijzers en schietgeweren, Manteau/Nijgh & Van Ditmar 1942

Vergilius, Bucolica (herdersgedichten)

Vergilius, Lânwurk , oerset troch Klaas Bruinsma, Utrecht Steven Sterk 2002 of in het 'Hollands':

Vergilius, Het boerenbedrijf <GEORGICA> , in de vertaling van Ida Gerhardt, Bert Bakker, Athenaum Polak & van Gennep 1969

Pierre van Vollenhoven en Wim de Vries, M'n woord een wapen tot verweer, Gedichten uit de arbeiderswereld, Van Gennep 1972

Het boek van de Arbeid, Arbeiderspers, 1957

The Oxford Book of WORK, edited by Keith Thomas, 1999

Met de hand, bevredigende gedichten, samenstelling Rob Schouten, Arbeiderspers 1992

Cees Buddingh, Gedichten 1938-1970, De Bezige Bij, 1977

Ingmar Heytze, Alle Goeds, Podium, 2001

Gerrit Komrij, Alle gedichten tot gisteren, Arbeiderspers, 1999

Paul van Ostaijen, Music-Hall, Uitgeverij Ooievaar, (1964)>1996

De mooiste van Petrarca, Lannoo/Atlas 2001

De mooiste van Poesjkin, Lanno/Atlas 2005

Drs. P, Tante Constance en Tante Mathilde, Nijgh & Van Ditmar, 1999

Annie M. G. Schmidt, Gedichten, musical- en cabaretliedjes.

Guus Vleugel, Na de seksuele revolutie, Nijgh & Van Ditmar, 1999

Willem Wilmink, Verzamelde liedjes en gedichten, Bert Bakker, 1986

A Thing of Beauty, de bekendste gedichten uit de wereldliteratuur, verzameld en ingeleid door Menno Wigman en Rob Schouten, Uitgeverij Bert Bakker 2005

W.H. Auden, vrienden en tijdgenoten

Lord Byron, Percy Bysshe Shelley en John Keats

Dylan Thomas, Do not go gentle..., etc.

T.S. Elliott, The waste land

William Shakespeare, Sonnets (diverse edities)

Romanticism, An Anthology, edited by Duncan WU, Blackwell Publisher's, 1999

Gerrit Komrij, Aan een droom vol weelde ontstegen, Poëzie uit de romantiek 1750-1850, Meulenhoff 1982

Ludwig Achim von Arnim & Clemens Bretano, Des Knaben Wunderhorn, Verlag der Nation Berlin, 1971

Conrady, Karl Otto, Das grosse deutsche Gedichtbuch, Athenäum Verlag, 1977 [ca. 1150 pagina's]

Spiegel Internationaal, Moderne poëzie uit 21 talen, Meulenhoff 1988

Pablo Neruda, Canto General, Rainbow Pockets, 1986

Hendrik de Vries, Verzamelde gedichten, Bert Bakker, 1993

 

***

Hand-of-Hands

~images~

Soldiers & Prisoners

German God Balder on his way to Walhal

Jean Genet (1910-1986) Prisoner & Writer

August Sander & Mario Alvarez Bravo

Yuri Gagarin , first human being in space (1934-1968)

Those were the days...

behind bars

Kadir van Loohuizen, Young Imprisoned

Keys

Johann Heinrich Füssli, The nightmare (1791)

 

Legionairs

Botero 9

Goya, Etching

Horace Vernet, Le soldat-laboureur (1820)

Goya, Witches on their way to the sabbath

 

George Grosz, The survivor, 1944

Goya, Disasters of War

Holocaust Memorial by Langs (found on Flickr)

***

 

EEN GEUR VAN GIER (vervolg)

Hoofdstuk XXI

{afb. Marten Eskil Winge, Thor‘s Streit mit den Giganten, 1872}

BLOEDBROEDERS

Novelle

door

Pjotr van Leeuwen

I

VOGELVRIJ

Zwaar hijgend blijft de man tussen het dichte struweel staan. Zweet vermengd zich met bloed op zijn sidderend lichaam op de plaatsen waar hij zijn huid aan doornen heeft opengehaald. Hij poogt te luisteren, maar te zeer bonkt zijn hart en suizen zijn oren na de wilde ren. Met trillende handen veegt hij de natte slierten van zijn lange blonde haar uit zijn gezicht. Bruusk trekt hij de schouderband van zijn wolvenvacht, die tijdens de vlucht was afgezakt, naar boven. Zijn jonge lijf verstart van schrik als er vlakbij een hevig gekraak klinkt en hij grijpt naar het mes aan zijn gordel. Het blijkt echter een afgedwaald jong everzwijn, dat gestoord in zijn ochtendslaap, zich uit de voeten maakt. Naarmate het geluid zich verder verwijdert, zakt zijn paniek en begint hij rustiger te ademen. Nu beter in staat tot luisteren, ontwaart hij het murmelend geluid van water vlakbij. Verheugd spoedt hij zich langs enkele reusachtige keistenen derwaarts en ontdekt een nietig stroompje tussen het hoge bedauwde gras. Zonder verder na te denken werpt hij zich op zijn knieën en plenst met handenvol tegelijk het koele water tegen zijn verhitte gelaat en borst. Dan buigt hij voorwaarts om gulzig te drinken. Met het water lijkt de gejaagdheid van hem af te vallen; stilaan houdt zijn sidderen op. Als hij enigszins wankelend opstaat, druipt het vocht uit zijn stoppelbaard tussen de enkele rossige borstharen, waar sommige druppels glinsterend als edelstenen blijven hangen.

Opnieuw richt hij zijn geoefend oor naar alle windrichtingen. Echter, tussen de vertrouwde geluiden van woud en wildernis valt vooralsnog niets verontrustends te bespeuren. Als de Sibbe zijn vlucht nog niet heeft ontdekt, is hij na zijn lange wilde vlucht voorlopig even veilig. De ervaren jagers zullen hem zonder twijfel aan de hand van zijn sporen en geur kunnen vinden. Daarom zal WILRAM, hetgeen wilskrachtige raaf betekent, spoedig voort moeten naar de poelen en zompen, die zich verderop schijnbaar eindeloos uitstrekken in de richting van het Grote Water, de oneindig schuimende vlakte der zoute zee.

Weinig jagers zullen het wagen hem te volgen, waar hijzelf goed de weg weet te vinden, door zijn regelmatig zoeken naar heilzame middelen en kruiden in het verraderlijk moeras. Slechts een wijle heeft hij de tijd om zich te bekommeren om zijn verwondingen. Nauwgezet begint hij de doornen, die zijn gebronsde huid pijnlijk doorboren, één voor één te verwijderen. Daar sommige hevig bloeden, waarbij het bloed onder zijn vacht dreigt te lopen, ontdoet hij zich van het kledingstuk en posteert zich naakt middenin het beekje. Het koele water stelpt het hevigste bloeden en met zorg dept hij de wondjes schoon. Voorzichtig wrijf hij zijn polsen en enkels, waar in blauwige striemen nog de afdrukken van stevig aangesnoerd hennepkoord zichtbaar zijn.

Een plotse hevige darmkramp doet hem zich ontlasten; bleke derrie druipt vantussen zijn gespierde billen in het water, waar het wordt meegevoerd door de stroom. Snel en besmuikt plenst hij handenvol water tegen zijn achterste, voordat vliesvleugeligen op de lucht af kunnen komen. Nogmaals luistert hij scherp in de richting van de Zonnewagen, die zojuist bloedrood boven de kim is gerezen en met de eerste stralen zijn ontvelde huid koestert. Een moment genietend staat hij daar, de fraai gewelfde borst gericht naar de Levensbrenger, de krachtige grote handen achter zijn oorschelpen, zodat niet het minste gerucht hem zal ontgaan. Gerustgesteld reinigt hij vervolgens zijn forse geslacht, de brenger van zoveel genot, de veroorzaker van zijn huidige vlucht.

Een koele windvlaag tussen de kruinen der bomen doet hem huiveren en hij hult zijn lange lichaam in de soepele wolfshuid. Nu het bloeden grotendeels is gestelpt kan hij weer verder, in rustiger pas ditmaal, trachtend zo weinig mogelijk sporen achter te laten. Elk verbogen takje, elke voetafdruk kan een aanwijzing zijn voor zijn achtervolgers, die hem ongetwijfeld niet nog eens de kans zullen geven om te ontsnappen. Ze zullen hem zeker ter plekke wurgen en op de offerplek in het moor werpen als zoenoffer aan de Goden. Ondanks de opkomende honger weerstaat hij het verlangen om bessen of boleten te plukken en te verorberen. Voort moet hij; op een veiliger plek kan hij alsnog het knagende gevoel trachten te stillen. Dat de Goden hem mogen bijstaan, moge WÊDA welwillend op hem neerzien en beschutten tegen de listen en lagen van woud en moor.Vertwijfeld grijpt hij naar het slangelederen zakje, dat aan een koordje zijn krachtige hals siert. Hierin bevinden zich de heilige amuletten die gevaren afweren: Een berentand, haren van LOKI aan struiken gevonden, de vrucht van de Heilige Eik en enige eigenhandig in bot geritste runen.

Naarmate hij verder komt, wordt de omgeving kaler; woud maakt plaats voor struwelen, afgewisseld met heide en de witte stammetjes van berken. Hier moet hij nog omzichtiger te werk gaan, want buiten het gebied van de Sibbe kan hij op Wildemannen stuiten, die alleen of in groepjes van uitgestotenen deze omgeving onveilig maken. Ze gelden als nietsontziende rovers en moordenaars; ze hebben immers niets te verliezen behalve hun leven. Speurend sluipt hij van bossage naar struikgewas, zoveel mogelijk de open vlakte vermijdend, met de hand aan zijn fraai bewerkte bronzen offermes.

Langzaam dringt het tot hem door, dat ook hij WILRAM, nu tot de uitgestotenen en vogelvrijen behoort. Als zijn ontsnapping slaagt, is hij voortaan aan zijn eigen lot en de Wil der Goden overgeleverd. Sinds hij het grootste taboe heeft doorbroken is hij onrein, ten dode gedoemd. Geen andere stam zal hij kunnen benaderen nu de vloek van de Sibbe op hem rust. Tranen branden achter zijn helblauwe ogen. Nooit zal hij HELMER, zijn bloedbroeder, terugzien. Eenzaam zal zijn weg zijn; alleen zal hij liggen op zijn slaapplaats. Rust nog duur zal zijn deel zijn.

Maar dan richt hij zich fier op. Nog is hij niet gebroken, deze zoon van zo’n trots volk met zulk een roemrijk voorgeslacht. Weliswaar is hij voortaan op zichzelf aangewezen, maar toch is hij nu vrij, niet alleen van de pijnlijk aangesnoerde koorden, maar ook is hij buiten de invloed van de strakke regels en zeden van de Sibbe. Niet langer kan de minachting van de anderen hem terneerslaan. Met zichtbaar welbehagen snuift hij de kruidige geuren op die zijn opengesperde neusvleugels strelen. Rondom herkent hij heermoes, duivekervel en hertshooi. De bloeiende kamille staat hier in ruime hoeveelheden en wedijvert in geur met de bloeiende meidoornstruiken. Hij plukt wat wilde tijm, wrijft en kneust deze geroutineerd tussen zijn eeltige handpalmen en snuift de kruidige lucht met welbehagen naar binnen. Speenkruid, zilverschoon en paardebloem strooien hun heldere kleuren tussen het frisse bedauwde gras. Plotseling spat een kuifvogel van zijn nest en gaat met veel misbaar rondvliegen. Aanvankelijk geschrokken beent de jonge Sjahmaan derwaarts en vindt al spoedig het legsel tussen het opgeschoten gras. Drie prachtig gevlekte eitjes liggen er in een kuiltje. Wilram werpt zich op zijn knieën en schudt er een naast zijn oorschelp. Nauwelijks bebroed. Haastig slaat hij het eitje stuk tegen een knokkel en slurpt de inhoud naar binnen. De twee andere volgen snel. Hij likt zijn grove gebarsten lippen. Nu merkt hij pas echt hoezeer zijn maag schroeide. Hoelang heeft hij geen voedsel gehad? Snel speurt hij naar wat eetbare bessen, maar de enkele die hij vindt zijn oud en verschrompeld of smaken bitter en wrang. Hij zal nu spoedig jachttuig moeten maken; het meest voor de hand ligt een harpoen om te vissen. Speurend kijkt hij om zich heen naar een geschikt stuk hout. Met een fraaie tak van de haagbeuk moet het te doen zijn. Iets verderop vindt hij het gezochte materiaal. Gedoken in de schaduw van enige struwelen bewerkt hij met zijn mes een geschikt bevonden harde doch buigzame tak.

WÊDA zij geprezen dat hij zijn mes, het kostbare bronzen offermes, een erfstuk van zijn vader, heeft teruggekregen. Hoeveel minder kans zou hij hebben gehad om zich te verdedigen en in leven te houden. Weer begint het achter zijn ogen te prikken als hij aan Helmer denkt, zijn sterke dappere bloedbroeder, tegelijk met hem ingewijd in de Mannenbond. Samen hadden ze in de kuil onder een dak van groene zoden gelegen. Tegelijk hadden ze hun polsen geopend en de wonden tegen elkaar geklemd was beider bloed in moeder JÖRD gevloeid als eeuwig verbond elkaar voor immer bij te staan in voor- en tegenspoed tot de dood een hunner beiden erop zou volgen waarna ze elkander in WALHAL zouden wederzien. Als nu maar niemand zijn vriend, sluipend door de duistere nacht heeft opgemerkt en zal verraden. Dan zou Helmer zeker de veroordeling van de DING-aldermannen en de wraak van de Sibbe boven het hoofd hangen.

Aan de punt van de harpoen maakt hij handig, maar voorzichtig, kleine inkepingen voor de weerhaken. Al doende speuren zijn oren naar geruis van water, want hij zit hier te hoog. Hij zal meer in de richting van de Zonneval moeten. Daarheen klapwiekten even geleden enkele kwaakvogels. En inderdaad, als hij een glooiing is gepasseerd, staan er verderop massa’s wilgentenen. Daar zal hij water en vissen vinden om zijn honger te stillen. Echter niet elke vissoort is rauw eetbaar en hij zal moeten pogen vuur te maken. Hier op de richel zal hij zeker tuig voor dat doel kunnen vinden en wellicht een schuilplaats voor de nacht. Buiten het jachtgebied van de Sibbe zullen ze hem niet zo snel zoeken en vanaf de glooiing kan hij de omgeving goed overzien zonder zelf gezien te worden. Een nadeel is, dat de rook hem kan verraden. Daarom moeten vuurplaats en slaapplek ver uit elkaar liggen.

Slapen moet hij zeker na drie vrijwel doorwaakte nachten. Zijn jonge lichaam voelt dof van vermoeienis. Omzichtig speurt hij de omgeving af naar een vermolmd stuk stobbe en droge takjes. Vervolgens verzamelt hij licht ontvlambaar materiaal als oude bladeren en afgevallen droge bemoste bast. Daarmee loop hij richting wilgebosjes, waar tal van stroompjes lijken uit te komen in een ronde dobbe. Bij zijn verschijnen vliegen enkele eendvogels met veel misbaar en gesnater het blauwe zwerk tegemoet. Ook daar kunnen eieren liggen. Vlot spoort hij het nest op tussen het riet en slurpt gulzig twee eieren leeg zodat het geel over zijn krachtige stoppelkin in het kuiltje loopt. Dan snijdt hij een geschikte wilgeteen af en spant hem met het koord om zijn middel tot een vuurboog.

De zon is inmiddels over haar hoogtepunt en het wordt warm hier aan de zompige rand, waar het water is overwoekerd met kikkerbeet en krabbescheer. Wolken insecten vliegen op bij zijn nadering, zodat hij de warme wolfshuid wel om moeten houden om niet over zijn hele lichaam gestoken te worden. Geen geschikte plaats om te vissen. Aan de overkant lijkt het wat steiler en zandiger. Als daar een geschikt stroompje uitkomt, kan hij een betere plek vinden. Vanwege de muskieten maakt hij, steeds verdacht op onraad, een ruime omtrekkende beweging. Ginds is het inderdaad droger en laten de stekende zoemers af. Hier tussen de kruipwilgenbosjes vindt hij een helder stroompje, dat een goede visstek lijkt. Thans kan hij het hete wolfsvel afwerpen na voor een laatste keer rondgekeken en scherp geluisterd te hebben. Hij legt het materiaal om vuur te maken naast de vacht maar klemt voor alle zekerheid het mes tussen zijn tanden. Daarop stapt hij naakt en huiverend het koele water in, met in zijn hand de harpoen geheven. Om aan de koude stroom te wennen loopt hij door over de zanderige bodem tot het wateroppervlak zijn middel bereikt, waarna hij op zijn hurken gaat, zodat het koele water zijn krachtige brede schouders kan omspoelen. Tussen zijn tanden en mes door slurpt hij een paar slokken van het helderfrisse vocht naar binnen en gaat vervolgens verkwikt tegen het stroompje in tot hij op kniehoogte bij de uitmonding staat. Nu is het afwachten. Zijn jachtinstinct ontwaakt, staat hij lichtgebogen, de felle blauwe ogen stroomopwaarts gericht, doodstil met de harpoen in aanslag.

Het duurt geruime tijd, maar dan spannen zijn spieren zich en slaat hij toe. Het is raak en vlug maakt hij de vis los van de spies en gooit hem op het droge. Dan steekt hij weer toe en nog eens tot er vijf stevige vissen op het strandje in diverse stervensstadia naar lucht liggen te happen. Een klap met het heft van zijn mes op de juiste plek is voldoende om de vissen te doden. Hij rijt ze geroutineerd aan de onderkant open en laat ingewanden en vuil weg voeren op het stroompje. Nu is het tijd geworden voor het moeizame werk van vuur maken. Voor geval van nood heeft Wilram dit voor zijn initiatie moeten leren, want al houdt de Sibbe altijd wel een vuur brandende, juist buiten het jachtgebied is vuur onontbeerlijk. Op jacht of langere zwerftochten wordt daarom altijd vuur meegenomen in een vuurkorf en wee degene, die de kostbare schat laat doven. Om die reden werd iedere jongeling geacht zelf vuur te kunnen maken als een van de vaste rituelen en proeven om toegelaten te worden tot de Mannenbond. Wilram had veel moeite gehad om deze test naar tevredenheid van de Aldermannen af te leggen, maar gaat, het geleerde repeterend in zijn hoofd, aan het werk. Twee maal knapt het koord van de vuurboog bij de aanhechting, maar dan, terwijl het zweet in stromen van zijn lijf gutst, begint er eindelijk een dun kringeltje rook te komen en buigt hij zich naar voren om zachtjes doch allengs harder blazend het nietige rode puntje tot leven te wekken. Uiterst zorgvuldig voegt hij kurkdroog materiaal toe en als uiteindelijk het eerste vuurtongetje hieraan lekt, trekt een zelfvoldane grijns zijn mondhoeken naar boven. Nu moet hij nog scherper op zijn omgeving letten, want naarmate er meer rook opstijgt van het vuurtje, zou dit rondtrekkende Jagers of Wildemannen kunnen aanlokken. Bij gebrek aan zout of kruiderij haalt hij de vissen na ontschubbing door zijn oksels, rijgt ze in lengterichting aan een puntige stok en begint ze beurtelings met regelmaat boven het vuurtje rond te draaien. Naarmate de geur zich verspreidt, verhevigt zich het knorren van zijn maag en dra loopt het water hem uit de mond. Maar hij weet zich in te houden tot de vis vrijwel gaar van de spies valt. Dan valt hij hongerig aan; smakkend en slurpend geniet hij van zijn maal, de graten in de flakkerende vlammen spuwend. Voor het eerst sinds zijn vlucht trekt een gevoel van welbehagen door zijn afgematte ledematen.

Zodra hij voldaan is, trekt hij een smeulende tak uit het vuur, steekt deze schuin in de bodem en begint met handenvol zand het vuurtje te smoren. Het is zaak zo weinig mogelijk sporen achter te laten en daarom neemt hij de tak ter hand, hult zich in zijn huid, effent met zijn voet het zand en waadt een stuk tegen het stroompje in alvorens de oever op te gaan naar de richel voor een geschikte schuilplaats. Op het hoogste punt vindt hij achter dicht struikgewas een lichtelijk overhuifde holte, waar geen sporen van eerder menselijk of dierlijk verblijf te vinden zijn. Zachtjes blaast hij om het smeulen van de tak gaande te houden en gaat snel materiaal, met name mossen, verzamelen om het vuur af te dekken, zodat hij niet nogmaals genoodzaakt zal zijn de vuurboog te benutten. Als hij het zorgvuldig aanlegt, zal het nauwelijks merkbare rook of geur verspreiden en is hij bij de komst van de Zonnewagen verzekert van verse gloed.

Achter hem zijn de struiken dermate doornig, dat ze vrijwel ondoordringbaar lijken en hij heeft daarom alleen de helling voor zich, die niet valt af te schermen. Die kan hij evenwel staande goed overzien en in de gaten houden. Scherp speuren zijn ogen voor de laatste maal rond, doch als hij niets verdachts ziet tegen het rode licht van de ter kimme neigende zon, begint hij gerustgesteld materiaal te verzamelen voor zijn nachtleger. Hij maakt een soort nest van droge mossen, waarin hij opgerold kan liggen, beschermd door de wolfsvacht tegen de ergste nachtelijke kou. Als hij dorst krijgt kauwt hij op de zuring, die hij onderweg heeft geplukt. Dan schouwt hij naar de verte, waar de Levensbrenger tussen opvlammende wolken onder gaat. Met de hand het amuletzakje omklemmend mompelt Wilram de magische spreuken, opdat de Zonnewagen zal wederkeren. Zo zal nu ook zijn bloedbroeder Helmer staan, zijn edel gelaat naar de vurige einder, denkend aan hem, totdat de vuurgloed dooft en Vrouwe Duister het bewind overneemt. Waar niemand hem kan bespieden laat hij zijn tranen de vrije loop. Door vermoeidheid en tekort aan slaap raakt hij bevangen door een gevoel van eenzaamheid en zwaarmoedigheid. Even later, op zijn rug liggend, staart hij met betraande ogen naar de vale maan, die af en toe wordt versluierd door wolkenslierten.

Als hij zich aan WÊDA geeft, zal zijn lijden voorbij zijn en mag hij WALHAL betreden, maar elke vezel aan hem wil leven. Hij heeft niet het gemoed van een Berserker, die zich schuimbekkend in de strijd stort, noch die van een strijder die zich onvervaard in zijn eigen zwaard stort als hij overmeesterd dreigt te worden. Hij is zelfs niet in staat onvervaard een koord over een tak van een Heilige Eik te slingeren en zich Wêda aanroepend te verhangen. Hij hoort tot degenen die de ligging der ingewanden, de vlucht der vogels en andere tekenen kunnen duiden. Hij leek voorbestemd een groot Sjahmaan te worden, een uitlegger van de voortekenen, een middelaar tussen Midgard aan de ene kant en Asgaard en Jotunheim aan de andere. Nu ligt hij hier, ontvlucht, een uitgestotene. Hij heeft het zwaarste taboe geschonden. Na de initiatietijd en riten van jongeling tot man in de Mannenbond was niet zijn begeerte voortaan uitsluitend op de huwbare vrouwen van de Sibbe gericht, maar miste hij node de warme nachtelijke omhelzingen van zijn Bloedbroeder. Helmer had zich tot woede van Wilram, verteerd door brandende jaloezie, daarna uitsluitend gericht op zijn jeugdliefde FREYA en al aangegeven kinderen bij haar te willen verwekken om als zij vruchtbaar bleek haar tot zijn gade te maken. Hij begreep kennelijk weinig of niets van het ongenoegen van Wilram. Was de initiatietijd immers niet bedoeld om de overgang te maken naar volwassen krijger en het spelen met elkanders geslacht niet slechts oefening om onvervaard in te kunnen gaan tot de vrouwen? Dan immers zou deze des te meer genieten van hun woeste bestijging. Wel bleven ze Bloedbroeders, maar Helmer had voortgezet genot bruusk afgewezen, zijnde zwaar taboe onder volwassen krijgers. Door de afwerende houding van zijn Bloedbroeder had hij tenslotte in razernij ontvlamd zich tijdens een drinkgelag vergrepen aan een der jonge knapen. Natuurlijk viel dit binnen de Sibbe, al was Wilram de aanstaande Sjahman, niet te tolereren en was hij gevangen gezet om een extra te beleggen Grote Ding af te wachten, waarna hij ter verzoening met de Goden vrijwel zeker als wurgoffer in het moor zou worden geworpen.

 

Het onheilspellend roepen van een uilenvogel dichtbij doet hem wakker schrikken en het duurt even voor hij beseft: zijn vlucht, dit hol, gerommel in de verte? Opnieuw weerklinkt het lugubere geluid van de doodsaankondiger en Wilram speurt rond in het duister tot zijn geoefend oog het nachtdier boven zich ontwaart, gezeten op een tak, de holle witte ogen speurend in zijn richting. Angst en toorn vechten om voorrang en hij grijpt naar een steen om de onheilsbrenger te verjagen. Echter voor hij kan werpen verheft de rover zich geruisloos op zoek naar williger prooi. Zozeer heeft de angst hem in zijn macht, dat het bloed tegen zijn slapen blijft bonken en het hem niet lukt weer in te dommelen. Nee, veeleer lijkt het of zijn angstige droom over achtervolging voortduurt. Kraken van takken, gedempt geluid van voetstappen en gehijg lijken in het duister boven de nachtmare uit te stijgen. Opnieuw schiet hij rechtop en speurt paniekerig rond, maar niets dan wat bewegende schimmen van struiken, die in de opstekende windvlagen meer en meer beginnen te kraken. Wilde wolken jagen langs de maan en in de verte klinkt toenemend gerommel. Zal THORAR dra zijn hamer werpen? Weerlicht doet zijn huid verbleken en steeds nader klinkt het geluid van de alom gevreesde bokkenwagen en daar bliksemt het reeds vlakbij. In een woeste maalstroom van wolken verdwijnen maan en sterren.

Angstig drukt Wilram zich tegen de wand van de richel, als zag hij de machtige God lijfelijk voor zich staan. Vol vrees slaat hij de handen voor zijn ogen als fel MJÖLNIR de lucht doorklieft, direct gevolgd door de krakende donder alsof HELLA is losgebroken uit de krochten van de Onderwereld. Slag na slag doorsiddert zijn gepijnigde ledematen tot als een bevrijden de ruisende regen nader komt, een bevrijdende sluier van vocht door de bewogen nacht. Wederom meent hij, nu vlakbij, gedruis te horen tussen de stuiken, maar het zal een dier zijn dat beschutting zoekt?

Met de regen begint het te druppelen over de rand van de beschermende richel en naarmate het harder gaat plenzen worden het straaltjes en stroompjes. Wilram drukt zich zo dicht mogelijk tegen de aarden wand en trekt de wolfshuid zo strak als mogelijk om zich heen, want met de spetters trekt de koude op. Naarmate de donder geleidelijk af lijkt te nemen, waagt hij zich uit zijn schuilplaats, terwijl de regen de vacht op zijn rug striemt. Hevig licht plotseling weer de bliksem op en uit Wilram in opperste vrees een luide kreet van schrik.

Slechts luttele meters boven hem zag hij in het tegenlicht der flits het reusachtige silhouet van de Dondergod afgetekend tussen de struiken, een enorme knots slagvaardig geheven. Ruige rode haarslierten vlammend rond zijn gehoornde helm. Geen twijfel mogelijk: De grote God Thorar is gekomen om hem te verpletteren. Vanwege zijn daad, vanwege zijn laffe vlucht. Sidderend werpt hij zich ter aarde en wacht op de genadeklap, zijn grote handen ter bescherming boven zijn schedel geheven. Hij voelt zware stappen naderen. Nog meer krimpt hij ineen. Enkele zware druppels lopen langs zijn handen. Nog geen klap; slechts het rollen van de donder gevolgd door oorverdovende stilte, want de regen is als bij toverslag gestopt. Wilram bezwijkt bijkans van angst. Dan voelt hij een hand over zijn middel gaan langs zijn gordel, waarna met een felle ruk het offermes wordt weggetrokken. Een scherpe mannelijke transpiratielucht prikkelt zijn neusgaten, vermengd met de walm van mede.

Dan barst boven hem een daverende lach los. Het is niet te bevatten; waarom slaat de God niet toe met zijn hamer of knots? Opnieuw boven hem dat bulderende gelach en enkele onverstaanbare uitroepen. Dan een por tegen zijn verkrampte schouder en als hij zich dood houdt andermaal een harde stomp. Wat wil de God van hem; waarom slaat hij niet toe?

Toch klinkt de lach vrolijk en gul en groeit zijn nieuwsgier. Hij laat langzaam zijn handen zakken en richt zich voorzichtig op. Naast zijn hoofd ontwaart hij in het vale licht van de nieuwe dag twee benen als boomstammen en een zware houten knots, waar vuursteenflinters vervaarlijk uitsteken. Eerst dan waagt hij het omhoog te kijken naar de bron van die daverende lach. Het blijkt een reusachtige gestalte, die daar boven hem oprijst, zwaar en gespierd met een kolossale buik onder strakke rafelige beestenvellen. Terwijl hij voorzichtig probeert op te staan uit zijn vernederende positie, want dit is een reus van een man maar geen God, ontwaart hij een brede rossig behaarde borstpartij overgaande in een plakkerige vlammend rode baard, waartussen grote scheve tanden en lachende schele ogen. Eén oog kijkt hem aan en het andere is op zijn middel gericht. Het lijkt een Wildeman, maar hij lijkt hem niet kwaadgezind. Vanwaar anders die gulle lach? Hij ontvangt wederom een vriendschappelijke por ditmaal in zijn lendenen en durft zich nu in zijn volle lengte op te richten. De lange Wilram is iets kleiner maar staat nu vrijwel oog in oog met de aan alle kanten druipende reus, die nog steeds nahikkend van de lach met zijn ene oog waarderend het veroverde bronzen mes bekijkt in zijn kolossaal grote hand en met het andere Wilram goedig blijft aankijken. Nu het snel opklaart na de wegtrekkende onweersbui ziet Wilram dat de Wildeman allerlei zakjes en buidels aan een brede leren riem draagt. Zijn sterke geur is penetrant maar niet onaangenaam. Bij iedere uitademing rolt hem de medewalm tegemoet, die hij maar al te goed kent van de drinkgelagen van de Mannenbond.

De reus hikt en grinnikt nog een beetje na, maar neemt hem nauwlettend op. De uitdrukking in zijn ogen wordt harder en smeulend. Het is verwarrend want Wilram moet met die ongelijke ogen maar raden wat er in dat grote hoofd omgaat. Hij gromt iets dat Wilram niet begrijpt. De woorden worden herhaald en nog eens dreigend herhaald, maar hij kan er geen wijs uit en haalt hulpeloos de schouders op. Dan haalt de kerel berustend ook zijn reusachtige schouders op en trekt een zachtklotsende buidel van zijn gordel, die hij vervolgens met de tuit naar zich toe boven zijn wijd opengesperde mond houdt, waarbij een straaltje in zijn keel belandt. Vervolgens biedt hij Wilram de drankzak aan. Deze wil eerst weigeren, maar bezwijkt onder de dreigende blik en laat op zijn beurt een weinig van het prikkelende vocht in zijn keel klokken. Het is sterke mede, met de gistende smaak van honing. Wilram wil de zak teruggeven, maar de reus gebaart dat hij meer moet drinken, hetgeen hij met steeds minder tegenzin doet. De man knijpt zelfs in de lederen zak zodat de straal sterker wordt en hij moeite moet doen zich niet te verslikken. Een weldadige warmte verspreidt zich van zijn maag door zijn gehele lijf en doet de laatste vrees verdwijnen.

De reus is met opengesperde neusgaten rond gaan snuffelen, ontdekt het bijna gedoofde vuur en knielt erbij neer om al blazend delen van het droog gebleven leger van Wilram toe te voegen. Al spoedig laait een vlammetje op en voegt hij meer brandstof toe. Tussendoor blijft hij de mede aanspreken en laat af en toe een luide boer. Wilram kruipt rillend dichter bij het vuur, waar bij tijd en wijle nasissend een druppel in valt. Het onweer is verdwenen om plaats te maken voor de eerste zonnestralen. Door de drank en het warme vuur stromen nieuwe kracht en vermetelheid door zijn lichaam. Met grote ogen blijft hij kijken naar de Rooie Reus die het zich op de rand van de richel gemakkelijk heeft gemaakt. Als dit een Wildeman is dan is het een goedaardige, want hij had hem immers allang gemakkelijk kunnen doden?

Alsof deze aanvoelt dat hij van Wilram niets meer te vrezen heeft, pakt hij een stuk rood vlees uit een buidel, dat naar look en kruiden geurt en snijdt het met het bronzen mes in twee helften. Zulke enorm gespierde armen en knuisten vol butsen, vuil en sproeten heeft Wilram nog nooit gezin; die kunnen een sterke stier de nek omdraaien. Alsof het vanzelf spreekt geeft hij de jongeman een helft van het vlees èn het kostbare offermes, ten teken dat hij hem vertrouwt. Dan legt hij die reusachtige hand met de palm naar binnen op de ruige vacht op zijn borst en bromt iets als “SI-GOERT” en herhaalt SIGURD. En er volgen nog meer woorden, die Wilram niet verstaat, maar dat Sigurd moet welhaast de naam betekenen van die bonk spieren en kracht, want ook zij kennen Sigurd als naam. Hij legt eveneens zijn hand op zijn hart en zegt met nadruk en herhaald WIL-RAM, WILRAM!

De reus begrijpt het want begint daverend te lachen en zegt hem na: WYLRAM, RAM-RAM, HAHAA! Opnieuw reikt hij breed lachend de drinkzak aan en vanaf nu gaat die onder het kauwen van het malse gerookte smakelijke vlees regelmatig heen en weer. Wilram heeft het mes uit gewoonte in de schede teruggestoken en Sigurd lijkt daar geen enkel bezwaar tegen te hebben. Omdat hij al etende en drinkende op de richel, de knots naast zich heeft gelegd en zijn helm afgezet, teneinde om zich heen te kijken, heeft Wilram de kans hem eens aandachtig op te nemen. Het is vast een wat oudere krijger, mogelijk het dubbele aantal zonnejaren als hijzelf. Het overvloedige rode haar glanst rond een kale kruin glimmend van het vet dat erin is gesmeerd. Tussen zijn blikkerende scheve tanden ontbreken er enkele en het is wel duidelijk dat Sigurd een geducht jager en krijger moet zijn, gemeten aan het grote aantal littekens van oude verwondingen. Voorts is hij barrevoets en net als Wilram gehuld in huiden, die slordig aaneen zijn genaaid. Het moet een geduchte vechter zijn, maar hij mist het trotse en hooghartige van een strijder van de Sibbe. Eerder straalt hij goedmoedigheid uit, althans op dit ogenblik. Die kolossale buik duidt op een Groot Gnotter van everzwijn en dranken, maar hij zal vast niet aarzelen om bij onraad in een fractie die vervaarlijke knots te hanteren. Als Sigurd weer iets zegt en begint te schuddebuiken, lacht Wilram van harte mee, ook al begrijpt hij niets van diens gebrabbel. Door de vele mede voelt hij zich steeds overmoediger en uitgelaten.

Dan laat de man zich van de richel zakken en haalt zonder enige schaamte een enorm geslacht tevoorschijn en loost zijn water vlak voor de verbaasde blikken van Wilram. Als de schier eindeloos dampende straal ophoudt, stopt hij hem niet terug achter zijn vacht maar blijft er ruggelings leunend tegen de richel mee spelen, zodat hij zich op begint te richten. Met iets uitdagends uit zijn schele blik kijkt hij Wilram aan. Die kijkt met uitpuilende ogen toe hoe het orgaan zwelt. Ondertussen trekken de rillingen over zijn rug. Of hij wil of niet, richt zijn eigen roede zich zachtjes kloppend op onder zijn wolfshuid. Verwarmd door mede en het vuur voelt hij een vreemde gloed door zich stromen.

 

Hoofdstuk XXII

 

DICHTER und BAUER

 

Pjotr probeerde vlot door te werken. Na een boom, die met zijn wortels het schuurtje dreigde te ontzetten, te hebben omgehakt en van takken ontdaan, moest nu de boomstronk er nog uit Onervaren als hij hierin was, kostte het veel meer inspanning dan hij had gedacht. Na het omhakken moest niet alleen het hele wortelstelsel worden uitgegraven en blootgelegd, maar kostte het menige zweetdruppel om de taaie stobbe doormidden te hakken. Ondertussen was zijn ene oor bij de weg of hij het hekje hoorde knerpen en met zijn andere oor bij de vrolijke flierefluiter in de achterliggende tuin. Al dat opletten maakte hem nerveus en hij kreeg het zo bloedheet van al dat wroeten en hakken, dat hij besloot wat van de kleding onder zijn overal in het schuurtje uit te trekken. Geen wonder, de damp sloeg bijna van zijn dichte trui, zodat hij zich ontdeed van zijn bovenkleding.

Op het moment dat hij slechts in ondergoed en sokken stond om overnieuw in zijn overal te stappen, schrok hij zich lam, omdat plots een gestalte de deuropening voor de helft verduisterde. Met grote schrikogen keek hij naar een breed silhouet waarboven een buitenmodel werkmanspet. Hij wist geen woord uit te brengen totdat hij zich realiseerde dat het de metselaar uit de buurtuin moest zijn, die kennelijk door de droge sloot en de heg was gedrongen. Omdat de kerel met zijn rug voor de deuropening met verdraaide nek naar het reusachtige gat rond de stobbe stond te kijken, waren zijn gelaatstrekken nauwelijks te onderscheiden, maar het leek of hij lachte. Hij draaide zich nu helemaal om, stapte met een brede grijns naar binnen en stak Pjotr een grote rode hand toe.

‘G-g-g-rüss dich, ich b-b-bin der Lothar. Ha-hast vielleicht etwas zu trinken?’ stotterde hij.

Pjotr was totaal overrompeld, maar vernam tussen het volgende gestamel door, dat Lothar, voor zijn vrienden Lollo, in de bouwval geen waterleiding had en stierf van de dorst, want hij had ‘heutemorgen im Sp-sprung sein K-k-känchen vergessen.’ Hij stotterde opgewekt door, terwijl hij Pjotr in zijn Jansen & Tilanus geamuseerd opnam:‘Du siehst fa-fa-fabelhaft aus!’

Pjotr kleurde tot in zijn nekharen bij dit onverwachte compliment en bleef met één been in de overal staan, niet in staat een woord uit te brengen. Hij probeerde snel zijn overal aan te schieten, maar had niet door dat hij met zijn been in de verkeerde pijp zat. Door zijn geworstel schoot een klein voorwerp uit de zak van zijn werkplunje om met een klap tegen de deurpost uiteen te spatten. Geschrokken knielde hij neer bij de brokstukken. Hopeloos kapot, zijn talisman, het dodenmaskertje uit stopverf van oma, dat hij altijd bij zich droeg. Een slecht voorteken! Een kwaad omen!

Hij probeerde niets te laten merken aan de man, die gebogen naast hem naar de stukken stond te turen: ‘Scha-scha-schade! Wa-wa-was es auch war! Ka-ka-kanns ’t 'sss nicht lei-lei-lei….? Lothar gaf het op, schaterend om zijn eigen gestamel. Pjotr lachte tenslotte hartelijk mee. Wat deed het er ook toe, dat stomme stukje stopverf. Hij wilde een schop tegen de scherven geven, maar was vergeten dat zijn been in de verkeerde broekspijp zat en tuimelde tegen de metselaar aan, die hij nog net bij de schouders wist te grijpen. Hij realiseerde zich nog net dat diens overal, gezien het jaargetijde, wel erg wijd openstond, voor hij met zijn neus in het geurige borsthaar belandde en even zwijmelde voor hij zich gegeneerd losmaakte, omdraaide en een drinkbeker met water vulde bij het spoelbakje.

Hij overhandigde het water besmuikt glurend door zijn oogharen. Lothar dronk gulzig, zodat het water over zijn brede stoppelkaak naar beneden druppelde en hij gaf de lege beker met een vragende blik om meer terug. Pjotr viel bijna weer en stapte nu maar uit het kledingstuk. Wat kon het hem ook schelen, dacht hij, terwijl hij de kraan te wijd opendraaide zodat het water over de rand bruiste. De kerel stapte achter hem en pakte de beker over zijn schouder heen en dronk mok na mok. Van opzij zag Pjotr het vocht naar onderen klokken terwijl de geprononceerde adamsappel op en neer wipte. Lothar had een paar kolenschoppen van handen en fraai gewelfde lippen, zag hij, toen die met de rug van zijn hand zijn mond afveegde. De lichtblauwe ogen glansden guitig onder het krulhaar dat onder zijn pet vandaan kwam. Aan zijn hele voorkomen te zien moest hij behoorlijk sterk en gespierd zijn en bovendien rook hij lekker naar zweet en kalk.

Lollo probeerde opnieuw te praten, dat wil zeggen, hij trachtte Pjotr duidelijk te maken, waarom hij daarachter aan het werk was en hoe lang het zou duren en dat er geen lol aan was zo in z’n eentje, maar dat hij wel moest van zijn baas, want die had het nou eenmaal voor het zeggen. Voor iemand, die zo vreselijk stotterde was hij wel heel praatlustig, vond Pjotr, die zelf nog geen woord gesproken hebbende, alsmaar zijn hersens pijnigde waar hij toch dat gezicht van kende. Toen viel, hoorde hij dat goed, enkele malen het woord wi-wi-wichsen.

Pjotr was door het omstandige verhaal en al dat gestotter de draad een beetje kwijt, maar er verscheen een wel zeer dubbelzinnige vraag in die vrolijke kijkers. Terwijl hij de grote knuist richting Lothar z’n kruis zag gaan om daar veelbetekenend te gaan wrijven, meende zijn gespannen trommelvlies het hekje te horen knerpen. Hevig geschrokken maakte hij een sprong naar de deur om die met zo weinig mogelijk gerucht af te sluiten. Gespannen loerde hij tussen het met spinnewebben bedekte ruitje door, maar er verscheen niemand om de hoek van het huis, noch hoorde hij de bel galmen.

‘Erwar-war-test du jemand?’ hoorde hij uit het donker achter zich klinken.

‘Sssst, halt die Klappe,’ duidde Pjotr met een vinger aan zijn lippen. Hij pakte zijn overal van de grond en begon het besmeurde blauwe kledingstuk, nu op de juiste manier, haastig aan te trekken, terwijl hij al zijn zenuwen gespannen, paniekerig nadacht hoe hij die metselaar voorlopig kon lozen. Deze had zijn signalen echter begrepen, legde even een betekenisvolle arm om hem heen en fluisterde hees in zijn oor: ‘Ich ko-ko-komme zurück! Spä-spä-später… en hij verdween, na nog even snel om de hoek van de deur te hebben gekeken of de kust veilig was, door de heg en droge sloot.

Met bonkend hart bleef Pjotr achter, zich nauwelijks raad wetend na dit totaal onverwachte intermezzo, als de beroemde ezel tussen twee schelven hooi geen raad wetend tussen lust- en schrikgevoelens. Zin om verder te werken aan die taaie stobbe was hem vergaan en hij besloot een stuk te gaan lopen om zijn gedachten op een rijtje te krijgen, tenminste als de straat er net zo verlaten bijlag als normaal. Dus ging de overal toch maar weer uit en de gewone plunje weer aan en na alles zorgvuldig te hebben afgesloten, gluurde hij eerst om de hoek van de poort en nam toen opgelucht de benenwagen richting de plek, vanwaar hij tevoren die landelijke lucht had opgesnoven. Het was de eerste keer, dat hij zich doelbewust van de villa verwijderde. Tientallen gedachten tegelijk vlogen door zijn hoofd. De onverbloemde benadering door de jonge arbeider had hem meer in de war gemaakt dan hij zichzelf in eerste instantie wilde toegeven. Net nu hij meende zijn grote en enige liefde te hebben gevonden in Gudrun Lec kwam die mooie metselaar de boel versjteren. Wat had hij niet een prachtige dromen gesponnen rond een stralende toekomst met Gudrun. Zo begeerlijk ze hem tot voor een kwartier nog had geleken, zo mijlen op afstand leek ze hem nu. Hoezeer had hij zich niet gelaafd aan haar lichaam, evenals aan haar eruditie om zo zijn eigen algemene ontwikkeling op te vijzelen. Het ging met haar niet slechts om het puur lichamelijke, het was veeleer een totaal in elkaar opgaan. Dichter en denker wilde hij worden en zij kon er immers later als lector mooi voor zorgen dat zijn toekomstige dichtbundels en filosofisch onderbouwde romans ooit werden uitgegeven?

Maar nu leek alles weer aan scherven te liggen, doordat een werkman om een beetje water kwam vragen. Lag het er dan toch dichter bij hem meer bovenop, dan hij momenteel wilde toegeven? Had die “Maurer” misschien net als hij daarvoor door de heg naar hem staan gluren en hem als Berlijnse jongen van de gestampte pot gelijk doorgehad?

Pjotr kwam er niet uit en liep met grote passen in de omgeving rond: Eigenlijk was er nog niets gebeurd. Als hij eens hooghartig afstand nam? Kon het nog? Zou hij niet onmiddellijk overstag gaan als die kerel weer in zijn buurt kwam? En hij kende die Lothar of Lollo. Hij heette natuurlijk Lollo omdat hij zijn eigen naam niet goed uitspreken kon. Waar liep hij hier trouwens ergens; was hij dat reclamebord zojuist ook niet gepasseerd? Natuurlijk kon hij Gudrun niet ontrouw worden, niet op haar terrein, maar zeker niet in haar eigen huis. Die bouwval misschien waar die Lothar aan het werk was?

~ Loop toch niet te raaskallen Pjotr von Löwen! Ben je bij de eerste de beste al weer helemaal je kop kwijt? Jij grote gek, jij eeuwige Emma Dilemma! ~

Ineens wist hij het: In een flits schoot hem door het hoofd dat metselvriend Lothar alias Lollo en de boerenjongen tegen een hooiopper, de bij Werner achterovergedrukte pornofoto, een en dezelfde persoon moesten zijn. En die foto zat nog steeds achter de afbeelding van hun boerderij in het geheime vakje van zijn portefeuille.

Gehaast beende hij huiswaarts, rende de zoldertrap op en sloeg zijn portefeuille open. Ha, hun boerderij, daarachter… niets. Hij keerde de hele portefeuille leeg op het bed, maar geen foto van die blonde rukker tegen de hooiopper te bekennen. Hoe kon dat nou? Andermaal ging hij alle vakjes door tot tussen de voering en alles wat op het bed lag uitgespreid. Vervolgens keek hij gejaagd al zijn kleding na, zocht onder en in het kussen en onder de matras. Niet te vinden die foto! Of hij er nooit was geweest…

Gudrun? Onmogelijk, die kwam hier nooit, behalve als een schim in het donker. Ze had ook nooit enige belangstelling voor zijn spullen aan de dag gelegd. Verloren? Maar hoe dan, waar dan? Fritze? Nee, hij had de portefeuille vanwege hem juist altijd op zijn lijf gedragen, toch?

Nogmaals ging hij gejaagd alles door, hoewel hij inmiddels wel moest toegeven dat het geen zin had. Als in een soort verdoving was hij zich in eerste instantie nauwelijks bewust van een zacht zoemen in zijn oren, dat geleidelijk overging in kloppen, tenslotte in massaal gedreun, dat hem met schrik herinnerde aan… Met een enorme klap sloeg de voordeur dicht.

GUDRUN!!!

 

Hoofdstuk XXIII

{geen plaats, datum}

Ik weet niet meer waar ik het moet zoeken; wellicht lucht schrijven wat op!

Sinds Gudrun zo raar deed en me Kurt noemde in die nacht na al dat Poolse vreten en zuipen, ben ik mezelf kwijt. Ik heb het angstige gevoel geleidelijk gek te worden, terwijl het lijkt of Kurt en Pjotr binnen mijn gepijnigd hoofd ondertussen om de voorrang strijden.

Alles loopt door elkaar {diverse onleesbare regels…}

Daarbij heb ik schele- tot af en toe knallende koppijn, die met aspirine soms nog wat te temperen valt, maar daarna begint dat rare dreunen in mijn kop weer, waar ik toenemend angstig voor begin te worden. Slapen lukt ook nauwelijks en zodoende raak ik langzamerhand uitgeput. Ook heb ik op de gekste plekken plotseling pijn of schier onhoudbare kramp, alsof ik voortdurend in gevecht ben, maar met wie of wat?

Gudrun lijkt na die uitbarsting van “zusterlijke liefde” nog afstandelijker. Het kan me geen moer schelen op het moment.

Het ergste is nog dat ik als een op hol geslagen automaat naar de foto van die boerenjongen blijf zoeken als mijn grijze massa weer eens tussendoor in een flits een (on)mogelijke geheime bergplaats doorgeeft. Het heeft geen zin, al haal ik het hele huis overhoop. Af en toe twijfel ik eraan of ik die foto überhaupt wel in mijn bezit heb gehad. Maar zoiets verzin je toch niet? Ik heb hem trouwens enige malen solistisch “benut” sinds ik hier in huis ben.

Ik weet godverdomme zeker dat die metselaar hierachter, die Lothar of Lollo, die er gelukkig gisteren niet was, dezelfde is als die boerenjongen op de foto, maar zonder die vervloekte foto sta ik met lege handen.

{meerdere regels onleesbaar…}

~ Ich muss saufen, viel saufen, meine finstere Gedanken ertrinken, denn er wird zurück kommen um mich um zu bringen. Er weiss wer ich bin! Und ich hab’Angst, furchtbaren Angst!~

-Het is niet goed, Kurt, al die Wodka, je hoeveelste glas is dit al? Ik weet het niet meer… Verrek, daar hoor ik hem fluiten, hij is er weer, der geile Bock! Zal ik naar hem toegaan? Gewoon vragen of hij wel eens zekere foto’s heeft laten maken?

~ Neinnein, du kannst jetzt nicht heraus! Dein Mörder wartet und lauert und wartet...~

-Maar, hij is weggebleven na die ene keer…

~ Es ist ene Falle, wie mit dem Fritze!~

-Godverdomme, makkelijk praten, wat MOET ik nou?

~ Saufen, nur weitersaufen und alles vergessen!~

-NEE, oh nee, niet meer, ik ben al zo duizelig en in de war!

~ GUDRUN, meine Schwester, meine Geliebte, die grosse Hure von Babylon wird bald wieder nach Hause kommen.~

-Godverdomme nee! Je bent ZIEK! PERVERS! Het is geen hoer. Ik hou zielsveel van haar..

~ DU LÜGNER, du liebst nur Männer. Du möchtest vom Maurer gefickt werden, du geiler Hund! Prost!~

-Nee, nee, oh mijn god, daar begint dat afgrijselijke dreunen in mijn kop weer. Dit is niet vol te houden. Was ik maar dood.

~ Du musst mich rächen, du Feigling!

-Rächen??? JOU wreken of MEZELF?

{onleesbaar > doorgekrast}

Kan ik die foto misschien verscheurd of verbrand hebben en die gebeurtenis daarna uit mijn geheugen gewist?

Gebeuren er zulke dingen zodra je verstand je in de steek begint te laten?

Ben ik mogelijk schizofreen, zodat de een niet weet wat de ander doet?

Als dat zo is, kan ik er maar beter een eind aan maken, want dit is DE HEL!

~Du hast noch einen Auftrag!~

-Lazer op met je Auftrag! Ik moet mezelf weer zien te vinden. Stom ook al die drank en pillen door elkaar.{onleesbaar}lekkere sterke KOFFIE. Gudrun mag mij zo niet aantreffen. Langdurige lauwe en daarna koud afdouchen?

~Hör zu, wie er pfeift, dein Maurer, dein Lothar-Lollo, wie der Rattenfänger von Hameln. Und er pfeift nach dir, Pjotr, mein Lieber! Vielleicht möchte er dich blasen oder möchtest du lieber selber....WODKA! Nur noch ein letztes Glas...~

-Nee, gadverdamme nee, wat is dit voor achterlijk gekrabbel{onleesbaar} Kotsen? Moeder, lief moedertje... Help me alsjeblieft...

 

Hoofdstuk XXIV

{afb. Historisch Openluchtmuseum Eindhoven}

BLOEDBROEDERS

Novelle

door

Pjotr van Leeuwen

II

SLAVERNIJ

Onbarmhartig zendt SOL al dagenlang zijn verzengenden stralen naar Moeder JÖRD, waar de frisse kleuren van het voorjaar zijn verworden tot geel, oker en bruin. Opgejaagd door de wrede oudste telg van Sigurd verricht Wilram zijn zware arbeid. Sterk vermagerd is hij de laatste manen sinds hij door de Rooie Reus werd meegetroond naar diens kleine Sibbe die ver in het Onland op een Wierde zijn armzalige woonstee heeft. Gehaast spoedt hij zich met het kromme oogstmes middels brede zwaaien door het dunne graan, terwijl het zweet van zijn lijf gutst. Een spoor van halmen ligt achter zijn pezig lijf.

Een stevig hennepkoord tussen zijn benen beperkt zijn bewegingsvrijheid. Hoewel hij HODSERT in de schaduw van een boom weet te liggen, rekent Wilram er niet op, dat deze zijn loerende blik maar een moment van hem af zal laten en gaat hij door ervaring wijzer geworden gestaag verder. Zijn eertijds blonde haren hangen verbleekt in slordige slierten langs zijn nek en hals. Zijn kostbare wolfsvel heeft reeds lang plaatsgemaakt voor een gore grof geweven lendendoek, die hij herhaaldelijk tersluiks op moet halen, wil het kledingstuk niet van zijn schonkige heupen glijden. Tot zijn geluk heeft WILMOER, de oudste vrouw van Sigurd, hem bij vertrek naar de akkers een strooien kaproen op het hoofd gedrukt. Zij is de enige voor wie zelfs Hodsert ontzag heeft en hij zal het niet wagen hem van dit hoofddeksel te beroven.

Terwijl hij op enige afstand van Hodsert het aantal sikkelhalen geleidelijk wat durft te verminderen, overpeinst hij zijn huidige droeve bestaan. Hoe had hij zich zo kunnen vergissen in de dierlijke liefdesbetuigingen van die gestoorde en geschonden Reus. Toen hij nog blij in het spoor van Sigurd, die alles met hem had gedeeld, op de hoogte aankwam, had deze hem ter plekke overgedragen aan zijn oudste zoon en erve Hodsert. Die mismaakte en oerlelijke jongeling bleek een met zwart haar begroeide booswicht, die Wilram na hem van zijn laatste bezittingen te hebben beroofd, zonder enige plichtpleging in de gore drek en stank van het zwijnenkot opsloot. Sigurd had belaagd door een aanzienlijk aantal slonzige vrouwen en meisjes, nauwelijks meer naar hem omgekeken en geleidelijk was het Wilram duidelijk geworden dat hij tot de laagste slavernij veroordeeld was. Hodsert behandelde hem slechter dan een hond. Hij liet hem niet alleen het zwaarste werk verrichten, maar liet daarbij niet af hem te vernederen en soms te tuchtigen, iets wat de van nature trotse Wilram node verdroeg.

Hij bleek in een zeer afgelegen boeren- en vissersgemeenschap terechtgekomen, die op een hoogte wat slordige schuren van schrale stammen en dwarsliggers had gebouwd.De wanden waren gevlochten van wilgetenen en bestreken met een mengsel van mest, leem en stro. Het dak van de grootste schuur had een rookgat voor het haardvuur en was bedekt met riet en bladertakken, die het regenwater nauwelijks konden keren. Hierin leefden de verwanten samen met vee, honden en huisraad. Ze hielden zich met uiterst primitieve middelen in leven en kwamen op Wilram over als gemakzuchtig en lui, zeker na het streng gereglementeerde bestaan tussen zijn eigen hardwerkende Sibbe. Ook had de Stam van Sigurd weinig oog voor zeden, want buiten Vrouwe Wilmoer, die nog een zekere waardigheid bezat, leefden ze er maar lustig op los, getuige de smerigheid van lijf en leefomgeving en de bandeloosheid en onbeschaamdheid, waarmede verwanten elkaar onderling benaderden.

Hun toenadering was ruw en dierlijk zonder enige vorm van eerbetoon aan het andere geslacht. Deze leken hier echter niet onder gebukt te gaan, doch daagden zelfs uit met obscene gebaren en geluiden. Degenen die in het gevecht om de vrouwen en meisjes het onderspit hadden gedolven zochten bevrediging bij elkaar, ongeacht leeftijd of geslacht. Tot zijn ontsteltenis zag Wilram dat vrijwel elk hem bekend taboe zonder schaamte werd overtreden. Regelmatige bloedschande had zich geopenbaard in enkele gedrochtelijke of zich vreemd gedragende schepselen, die aan de buitenste rand van de familiekring werden getolereerd en daar tuk op de brokken, die hen werden toegeworpen, hun walgelijke bestaan wisten te bestendigen.

Bij zijn eigen Sibbe werd iedere boreling die bleek af te wijken aan de Goden geofferd als zoenoffer voor volgende gezonde kinderen. Bloedschande was volslagen taboe en om die reden werd iedere Midzomerzonnewende tijdens de Grote Ding in het Baduhennawoud een Vrijmarkt voor de huwbaren gehouden. Daardoor waren de Aldermannen bij machte nieuw bloed tussen bevriende stammen uit te doen wisselen teneinde inteelt te voorkomen. In die tijd rustten alle wapenen, werden verbonden gesloten of herbevestigd en werd om krijg onderling via Bloedwraak te voorkomen werd door de Aldermannen het Zoengeld bepaald voor enige ernstige misdrijven.

Eerst geleidelijk was het tot hem doorgedrongen dat Sigurd hem vooral had meegetroond om voor vers bloed te zorgen in deze geïsoleerde gemeenschap. Stamoudste Sigurd die na hun bizarre kennismaking niet meer persoonlijk naar hem getaald had, dwong hem tijdens woeste drinkgelagen tot bijslaap met verschillende vrouwen in de vruchtbare leeftijd, daarin onder spottend gelach bijgestaan door zijn ongure zonen. Des te vaker Wilram walgend faalde, des te slechter werd hij door Hodsert behandeld. De schele hinkepoot blonk uit in gemeenheid, wreedheid en smerige spelletjes.

Twee maal had Wilram getracht te ontvluchten om verdwaald tussen de talloze moerassen en slenken onder hoongelach teruggevoerd te worden. De laatste keer was hij het verst gekomen, waar de zoom van een reusachtig woud slechts een halve ochtend gaans in de verte leek te schemeren.

Zuchtend onder zijn lot blijft Wilram even staan om het zweet uit zijn stekende ogen te vegen. Doch reeds nadert hinkend en schreeuwend de gestalte van zijn beul en bewaker. ~ Hij heeft zijn knots vergeten ~ schiet Wilram door het hoofd, ~ dan heeft hij alleen het bronzen mes, dat hij mij heeft ontstolen. Eindelijk een kans. Bij Thorar, niets laten merken nu ~

Onderdanig laat hij het hoofd hangen, maar des te steviger spant zijn vuist zich rond het handvat van de sikkel. Als hij de woeste schele ogen vlak voor zich ziet, richt hij zich op en slaat toe, maar mist. Door een niet verwachte zijsprong schampt het lemmet af op de knokige arm, zodat hij slechts een oppervlakkige wond toebrengt. Ongeloof en angst lijken Hodsert even te verlammen en geven de geplaagde Wilram de kans voor een tweede haal, die de dij van de terugdeinzende bruut zodanig raakt, dat hij bloedend enige passen verderop komt te vallen.

Het wordt een race van de door het touw tussen zijn benen gehinderde slaaf en zijn gehate vijand. Tussen vallen en opstaan heeft Hodsert het blinkende mes getrokken en ziet Wilram zich wel gedwongen met razendsnelle korte pasjes dreigend met zijn sikkel als eerste bij de boom en de veronachtzaamde knots te zijn. Hij zou het zeker niet gehaald hebben als Hodsert, omkijkend, niet vlak voor zijn doel tierend en schreeuwend over opgezette schoven was gestruikeld en zijwaarts was komen te vallen.

Als eerste weet Wilram de zware met vuursteen- en botsplinters verzwaarde knots te pakken, maar hij ziet geen kans zich snel genoeg om te draaien en mist op een haar na de kruipende en krijsende gestalte. Door de hitte en spanning is het zwart voor zijn ogen geworden. Blindelings beseft hij het koord tussen zijn benen snel met zijn sikkel te moeten klieven en dat lukt na enige moeite net op tijd, want Hodsert heeft zich weer weten op te richten en haalt met het mes uit naar de hartstreek van Wilram. In paniek, meer op zijn gevoel dan gericht zwaait Wilram de enorme knots richting zijn belager en… raakt. Slaat in blinde woede nogmaals toe. Het gehate lichaam stort bloedend tegen de boomstam om daar stuiptrekkend naar beneden te glijden.

Huiverend wendt Wilram zich af als roodachtig schuin de vertrokken mond uitloopt over de zwart bestoppelde kinnebak. Het duurt voor zijn gevoel nog een eeuwigheid voor het laatste gerochel is weggestorven en het lichaam na een rilling eindelijk stil ligt.

Ondertussen krijgt de blonde sjahman geleidelijk zijn gezichtsvermogen terug en staart en blijft staren richting Wierde, waarvandaan hij ieder moment een wrekende Sigurd en andere stamleden verwacht te zien komen aanstormen. Maar alles blijft stil in de zinderende middaghitte; zelfs geen hond is er gaan blaffen. Ze zijn vast bang voor de valse Hodsert, wellicht gewend aan zijn geschreeuw? Slechts het geluid van de talloze rondvliegend honingbijen, krekels en andere insecten verbreekt de klamme stilte.

Walgend maar snel ontdoet Wilram het lijk van zijn vertrouwde gordel en trekt met een ruk het offermes terug uit de verkrampte hand en stop het terug in de schede. Ook zijn zozeer gemiste amuletzakje haalt hij voorzichtig over het slappe hoofd. Er is wat van het rossige schuim aan blijven kleven, maar hij merkt het niet. Nu is hij weer enigszins beschermd tegen de boze krachten van LOKI en kan hij een derde poging wagen aan dit goddeloze volk te ontsnappen, temeer daar blijkbaar niets hun middagsluimer heeft onderbroken. Dan, terwijl hij zorgvuldig steeds zoveel mogelijk berkjes, struiken en hoogopgeschoten gras tussen zich en de hoogte laat om het zicht op zijn vlucht te beperken, gaat hij zo snel als mogelijk richting opgang Zonnewagen. Hij weet dat hij slechts deze richting op kan om met hulp van De Goden door het zompige moeras te komen. Als hij geluk heeft staan de slenken nu grotendeels droog of zijn ze op z’n minst doorwaadbaar.

Hijgend volgt hij de weg die hem de laatste keer het verste heeft gebracht in de hoop het liederlijke geslacht van Sigurd voorgoed achter zich te laten, want ze zullen hem ditmaal zeker doden. Tenslotte is het eervoller om bij verdwalen te verzinken tussen lisdodde, water-eppe en slangewortel dan een gruwelijke dood te kunnen verwachten van die beestmensen. Het is nu zaak een flinke voorsprong te hebben voor er alarm wordt geslagen en de honden op zijn spoor zijn gezet. In de eerste grote slenk staat het brakke water inderdaad laag en loopt hij een stuk evenwijdig over de zanderige ondergrond om zijn reukspoor te wissen voor hij de andere oever beklimt. De bouwsels op de Wierde zijn hier vandaan al niet meer zichtbaar en buiten het geklots der golfjes blijft het stil. Zorgvuldig wist hij zijn sporen uit.

Op een andere oever vindt hij een geschikte stok, die lang genoeg is om verraderlijke gedeelten in het moeras te peilen en stevig genoeg om op te steunen waar de grond wat steviger lijkt. Door de brede verdikking aan het einde heeft hij bovendien een hulpmiddel om over smalle slenken te springen. De zwermen muggen deren hem nauwelijks als hij voorzichtig zijn weg zoekt tussen riet en dampende poelen. Soms moet hij een stuk op zijn schreden terug, waar het moor te stinkend en te gevaarlijk lijkt. Regelmatig zijn richting bepalend aan de stand van SOL, raakt hij allengs verder. Heel in de verte, waar de donkere rand van het woud zich steeds duidelijker aftekent, zijn steeds meer schitteringen zichtbaar, die hem vagelijk verontrusten. Een vijandige stam op oorlogspad? Wapentuig?

(wordt hiernaast vervolgd onder het lemma Citaten & Gezegden)



Copyright ©2006-2008. Hedzer.